Naast de speelfilms van beginnende filmmakers die te zien zijn in Rotterdam zijn er ook programmaonderdelen die zich richten op het verleden van het medium. Regained biedt al een aantal jaar een mooie selectie obscure films en bijzondere documentaires die de geschiedenis van de cinema op juiste wijze willen belichten.

In dat programma was het het zeer vermakelijke Mansfield 66/67 te zien. Een aparte docu-hommage aan de actrice met de grote borsten die in de jaren ’50 en ’60 een opvallende verschijning was in Hollywood. Jayne Mansfield was een seksbom met een kleine filmografie. Dat werd ruimschoots gecompenseerd door alle aandacht die zij kreeg van de roddelpers. Als haar wulpse afmetingen niet opvielen dan waren het wel de mannen die ze had versleten.

Regisseurs P. David Ebersole en Todd Hughes zijn duidelijk fans van het icoon, maar de film is gelukkig niet een eerbiedig portret. Daarvoor is het duo te geïnteresseerd in het campy potentieel van Mansfields leven. Zo woonde zij in een grote villa die zij had omgedoopt tot de Pink Palace en reed ze rond in een net zo roze Cadillac. Het helpt mee dat cultfiguren John Waters, Kenneth Anger en Mary Woronov hun duit in het zakje doen over de actrice. Ze was een uitvergrote overdrijving. Een tragisch icoon. Een intelligente uitbuiter van haar imago. De vele gezichten van Mansfield worden verder weerspiegeld in een speelse stijl die wisselt van musicalsegmenten naar animaties.

Het helse hart van de film is de bizarre relatie die Mansfield had met satanist Anton LaVey. In de woorden van een geïnterviewde filmhistorica waren het allebei publiciteitshoeren die elkaar gebruikten om in de schijnwerpers te staan. Of Mansfield echt een offer aan beëlzebub heeft gebracht is onwaarschijnlijk. (Waters: ‘I can’t picture her slaughtering goats!’) Wat wel vaststaat is dat zij in een gruwelijk en mysterieus auto-ongeluk om het leven kwam. Genoeg stof voor verdere speculatie in deze leuke en tegelijk ook doortastende docu over een megaberoemdheid. En als extraatje krijg je ook nog de talking head van Tippi Hedren erbij die het heeft over de leeuw van LaVey. De geheime geschiedenis van Tinseltown is zelden zo leuk in beeld gebracht!

Een heel ander icoon is te vinden in George Pals sci-fi-klassieker The Time Machine uit 1960. Het bijzondere ontwerp van de tijdmachine heeft Robert Niosi altijd gefascineerd en hij besluit om het ding heel precies na te bouwen. Regisseur Jay Cheel neemt Niosi’s obsessie als een uitgangspunt voor zijn prachtige documentaire How to build a Time Machine die gaat over cinema, tijd en onze wens om verloren dierbaren weer te zien. Niosi is niet de enige die is gegrepen door het apparaat. Filmhistoricus Bob Burns bezit de echte tijdmachine en krijgt vaak verzoeken van mensen om het ding te zien. Soms vragen ze of ze terug in de tijd kunnen reizen. In de meeste gevallen een absurd verzoek, maar Burns bekent dat er soms mensen zijn die willen geloven dat tragische gebeurtenissen toch nog te voorkomen zijn.

Het is een begrijpelijke impuls die terugkomt in veel populaire films van Back to the Future tot The Terminator. Ook wetenschapper Ronald Mallett was graag terug in de tijd gegaan om zijn vader te waarschuwen voor een plotselinge dood. Het is de gebeurtenis die zijn leven getekend heeft en die hem op het pad van de theoretische natuurkunde heeft gezet. In een mooi en openhartig gesprek geeft hij toe dat de wens om zijn vader te zien hem inspireerde om het fenomeen tijd te onderzoeken. Dit soort ontroerende momenten sieren Cheels film die uiteenlopende verhalen tot een aangrijpend geheel weet te smeden.

Tot slot gaan wij naar Duitsland waar regisseur Phillipp Hartmann besluit om met zijn film op tournee te gaan. Hij gaat 66 bioscopen af en maakt terloops een documentaire over hoe het is gesteld met de Duitse filmcultuur. 66 Kinos is een sympathieke film die zich richt op de mensen die de projector draaiende houden, de popcorn opwarmen en je op het juiste moment voorzien van een versnapering. Zo komt Hartmann bij kleine vertoningsruimtes verstopt in kloosters maar ook mooie filmpaleizen met een illustere geschiedenis.

Uit de gesprekken met de medewerkers blijkt het bioscooplandschap erg te zijn veranderd. Veel filmtheaters hebben geen vaste werknemers meer. Sommigen kunnen met moeite het hoofd boven water houden. De meningen over digitale projectie zijn ook niet zo positief. Een operateur kan maar geen afstand doen van een grote filmprojector al hebben ze de overstap naar digitaal al gemaakt. Het mooiste van Hartmanns liefdevolle film is dat het laat zien dat filmhuizen en bioscopen ook gemeenschappen zijn waar liefhebbers van cinema elkaar kunnen vinden. Een toevluchtsoord en een plek om weg te dromen. Een passende film dus voor een festival dat cinema in al zijn verscheidenheid wil eren en ook de mensen die werken om de magie in stand te houden.

0 reacties

Geef een reactie

Annuleren