Cine staat in september in het teken van de Ander. Hoe kijken wij in film naar de ander en wat betekent die term precies? Hebben wij het over buitenstaanders, vreemdelingen of misschien wel aliens? George Vermij graaft wat dieper in het thema en blikt vooruit op de artikelen die je deze maand van ons kunt verwachten.

In EYE opent deze maand de expo Locus die is gewijd aan de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul en de Braziliaanse kunstenaar Cao Guimarães. Hun werk is op het eerste gezicht erg verstrengeld met hun culturele achtergrond.

Weerasethakuls films, zoals Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives, spelen zich af in kleine dorpjes in Thaise jungles waar geesten hun dierbaren opzoeken. Boeddhistische fabels onderbreken abrupt de plot. Guimarães maakt experimentele documentaires die gaan over de streek waar hij woont. Hij volgt vooral outsiders en probeert de essentie van het gebied te vangen in films die realisme combineren met poëtische visuele intermezzo’s.

Voor een niet geïnitieerd Nederlands publiek kunnen de films van Weerasethakul en Guimarães als exotisch of vreemd worden gezien omdat ze zijn doordrenkt van lokale gebruiken, onbekende landschappen en een meditatief tempo. Ze dompelen je onder in een andere cultuur. Maar wat is er precies anders aan? Is het onze “westerse” manier van waarnemen? Is het een gebrek aan kennis van andere landen en gewoonten? Of zijn de films vreemd omdat sommige toeschouwers een conventionele wijze van films kijken gewend zijn en de wereld van de experimentele cinema als ‘anders’ ervaren?

Dit soort vragen staan in september centraal op Cine waar wij ons gaan richten op de Ander. De Ander is een beladen begrip omdat het een grens aangeeft tussen de beleving van mensen (ik hou op waar de ander begint). De ander is noodzakelijk voor ons zelfbeeld. Door de verschillen met anderen wordt onze eigen identiteit versterkt en benadrukt, en tegelijk afgezwakt en ter discussie gesteld.

De ander heeft ook een connotatie die ligt in het domein van het vreemde, abnormale en afwijkende. De ander kan een stoorzender zijn als je denkt dat jouw perceptie correct en vanzelfsprekend is. Wat doe je dan als iemands bestaan jouw waarheden onderuit haalt? Iemand die niet te definiëren is of die buiten de hokjes valt kan daardoor gezien worden als een gevaar en een ontmoeting met de onbekende, exotische of ongrijpbare ander zorgt voor een breuk. In dat opzicht laat de ander ons niet los omdat wij gaan twijfelen aan ons wereldbeeld. In die mysterieuze fascinatie ligt ook een potentieel verborgen. Hier is schrijver Mark Fisher die het in zijn essay bundel The Weird and the Eerie heeft over de aantrekkingskracht van het vreemde.

The Weird and the Eerie (…) allow us to see the inside from the perspective of the outside. As we shall see, the weird is that which does nothing. The weird brings to the familiar something which ordinarily lies beyond it, and which cannot be reconciled with the “homely”. (…) It is this release from the mundane, this escape from the confines of what is ordinarily taken for reality, which goes some way to account for the peculiar appeal that the eerie possesses.

De ander heeft een verschillende gevoelswaarde als wij kijken naar de verhouding tussen het Westen en andere culturen. Wij weten van onze koloniale geschiedenis dat volken, stammen en rassen door westerse machten zijn onderzocht, geclassificeerd en beoordeeld wegens hun anders zijn. Hun geschiedenissen opgetekend als een voetnoot in het verhaal van de Westerse vooruitgang. Een mooi tegengif voor dat Westerse etnocentrisme zijn de Indonesische genrefilms die op het BUT filmfestival in Breda te zien zijn. Daar is het perspectief omgedraaid en zijn de Nederlanders de slechteriken die zich gedragen als moorddadige kolonialisten.

De keuze over wie het meest geschikt is om een verhaal over een specifieke cultuur te vertellen blijft problematisch. Een recent
artikel in de New York Times gaat in op Kathryn Bigelow die met haar film Detroit de rassenproblemen in die stad onder de loep neemt. “Was een zwarte Amerikaanse regisseur niet beter geweest?”, was een vraag die weerklonk in de pers en op social media. Maar wat betekent dat precies als je die lijn doortrekt? Mag een niet-joodse regisseur een film maken over de holocaust? Mag een cisgender persoon een film maken over een transgender?

Persoonlijk vind ik een scheidslijn moeilijk te trekken omdat ik als halve latino en halve Nederlander me niet verbonden voel met één cultuur. En dan hebben wij het niet eens over de andere aspecten die net zo goed kleven aan identiteit zoals sociale klasse, opleidingsniveau, levensbeschouwing, leeftijd, geslacht, seksuele voorkeur, regionale identiteit, subcultuur, etc. Wat kan ik vanuit al die identiteiten wel en niet zeggen over iemand die van mij verschilt? En hoe definieer je diversiteit als je rekening moet houden met alle verschillende identiteiten die mensen hebben?

Naar mijn mening is kunst bij de uitstek de wijze om in contact te komen met de ander en een manier om boven al die hokjes uit te stijgen. Ik kan me daarom goed vinden in de woorden van Charles Simic, een ‘Joegoslaaf” die ver voor de bloederige oorlogen van de jaren 90 met zijn ouders naar de VS emigreerde en daar dichter werd. In zijn artikel Reading about Utopia in New York City schrijft hij dit over poëzie, en eigenlijk over alle kunstvormen.

Poetry, too, is the defence of the individual against all generalisations that seek to enclose reality in a single conceptual system. In that sense it is anti-utopian. It has no abstractions, but proceeds empirically from concrete particulars. In a lyric poem, another consciousness lives on in us as we recognise oneself in some stranger’s words. For some solitary reader, a book from another place and time miraculously comes to life.

En om daarop voort te borduren, bleven deze woorden mij bij na een interview met de Iraanse kunstenares Shirin Neshat over haar film Women Without Men.

Soms denk ik dat de enige manier om echt universeel te zijn, is om juist erg etnisch specifiek te zijn. Het klinkt tegenstrijdig en is moeilijk uit te leggen, maar een vreemde cultuur kan anderen soms onverwachts sterk raken. Ondanks verschillen zijn er zaken die op een dieper vlak herkenbaar zijn voor iedereen.

Uiteindelijk zijn nieuwsgierigheid, verbeelding en empathie de middelen om films te maken die je bijblijven, relevantie hebben en de ander kunnen raken. Dat neemt niet weg dat wij als kijkers kritisch moeten blijven over wie die films maakt en hoe dat gedaan wordt. Als het werkt dan werkt het, maar als er zaken onvolledig of onjuist zijn dan moeten we dat benoemen.

Voor die kritische duiding zit je bij Cine natuurlijk aan het juiste adres. Voor deze themamaand schrijft Julius Koetsier daarom over de ultieme ander: het buitenaardse wezen. Hedwig van Driel verdiept zich in de kracht van subjectieve cameravoering om letterlijk door de ogen van de ander te kijken. Luuk Imhann kijkt terug naar Eternal Sunshine Of The Spotless Mind en hoe de vrouwelijke personages daar worden uitgebeeld. Bouke van Eck analyseert in zijn essay hoe vreemde culturen vanuit verschillende invalshoeken worden bekeken in films, en Dandyano schrijft speciaal voor onze lezers een Netflix-gids omtrent het thema. Tot slot buig ik me over de herkenbare ander, de dubbelganger in Joseph Losey’s fascinerende Monsieur Klein.

Een fijne maand toegewenst,

George Vermij

0 reacties

Geef een reactie

Annuleren