Nu aan het lezen:

De poëzie van het onuitgesprokene

De poëzie van het onuitgesprokene

In de editorial van deze maand sneed Luuk Imhann het al aan: hoe definieer je poëtische cinema? Een sluitend antwoord heb ik daar ook niet op. Toen ik begon na te denken over dit lijstje, laveerde ik onbewust al snel richting dialoogloze films. In een citaat van regisseur Derek Jarman over één van zijn films vond ik uitgelegd wat mij daarheen had gedreven:

The Last of England works with image and sound, a language which is nearer to poetry than prose. It tells its story quite happily in silent images, in contrast to a word-bound cinema.”

Jarman zette zich af tegen de beweging die cinema had doorgemaakt sinds de introductie van direct geluid. Dat maakte het mogelijk om in woorden je verhaal te vertellen, maar gaat recht in tegen de essentie van cinema, van film als combinatie van cinematografische elementen. En je zou inderdaad kunnen stellen dat het film wegstuurt van de poëzie, richting proza. De films in dit lijstje hebben gemeen dat ze losbreken van plot en woorden als de drijvende kracht en daarmee in mijn ogen elk op hun eigen wijze terugkeren naar het rijk van de poëzie.

Ten Skies (James Benning, 2004)

Het hele oeuvre van de Amerikaanse filmmaker James Benning had hier kunnen staan. Zijn films bestaan uit lang aangehouden shots waarin de camera niet beweegt. Zo laat Benning je blik rusten op iets waar je anders nooit zo lang naar zou kijken. Een sproeier op een akker, een doorsnee kruispunt, of in het geval van Ten Skies tien verschillende luchten. En hoe langer je naar die luchten kijkt, hoe meer ze in jouw ogen transformeren. Tot je niet meer slechts een lucht ziet, maar het gezicht van Edgar Allan Poe of een kolkende zee. In een overprikkelde maatschappij waarin afleiding de norm is, zoeken de films van Benning naar een vorm van concentratie die helaas steeds zeldzamer wordt.

Koridorius (Šarūnas Bartas, 1994)

Koridorius speelt zich af in en rond een vervallen flatgebouw in de Litouwse hoofdstad Vilnius. Gefilmd in zwart-wit toont Bartas ons de bewoners van de appartementen aan één lange, sombere gang. Bewoners krijgen geen naam of stem, maar wel een gezicht en dat zegt alles. Alle tijd krijgen we om de details van die gezichten in ons op te nemen; de groeven in het gelaat van een oude man, de droefheid in de starende blik van een jonge vrouw. Zelfs wanneer de bewoners samenkomen (in een feestscène die zich kan meten met mijn favoriete feestscène ooit), druipt de eenzaamheid ervan af. Toch werkt de somberte niet verlammend, omdat Bartas het opdient met een spookachtig geluidsontwerp en in wonderschone beelden die nog lang op je netvlies blijven staan.

Le Quattro Volte (Michelangelo Frammartino, 2010)

We kennen Pythagoras vooral van zijn stelling over driehoeken, maar ooit werden ook vegetariërs naar hem vernoemd. Pythagoras geloofde namelijk heilig in reïncarnatie en dat de ziel niet alleen van mens naar mens overging, maar ook naar dieren en planten. Le Quattro Volte volgt zo’n ziel die overgaat van een herder naar een geitje naar een boom. Zonder die kennis is het even zoeken naar een connectie, maar vanaf het moment dat dankzij een kattenkwaad uithalende hond wat humor in de film sijpelt, wordt het steeds beter. Ook omdat vanaf dan Frammartino’s visie duidelijk wordt. Want door de opbouw en vooral ook dankzij het innemende en ontroerende deel over het geitje, krijgt hij het voor elkaar dat zelfs het lot van de boom je aan het hart gaat.

Hadaka no shima (Kaneto Shindô, 1960)

Op een bergeilandje in een binnenzee van Japan woont een gezin van vier. Zij zijn er de enige bewoners en werken van zonsopgang tot –ondergang om te voorzien in hun bestaan. Shindô’s aanpak voelt documentair in de benadering van de loodzware realiteit, een cyclus van keihard werken die pas aan het einde van de film wordt doorbroken door een tragische gebeurtenis. Maar daar tegenover staat het indrukwekkende landschap en de meer poëtische elementen die later tot vol wasdom zouden komen in zijn meer fantastische films als Kuroneko en Onibaba. Het resultaat is een film die de dagelijkse worstelingen van het gezin op dat wonderlijk mooie eiland bijna iets mythisch geeft.

Xi You (Tsai Ming-liang, 2014)

Een monnik loopt door Marseille. Dat is de korte en lange samenvatting van Xi You. Dat lopen doet de monnik zo traag dat zijn progressie bijna onmerkbaar is. Als een schaduw die langzaam voortkruipt. Zijn invloed op de omgeving is een beetje als die van een steen die in een rivier wordt gelegd en subtiel de stroming van het water verlegt. De uiterste controle van de monnik over zijn lichaam  wakkert een soort hyperbewustzijn van je eigen fysiek aan. Tsai Ming-liang wordt gerekend tot de slow-cinema beweging, wat ik altijd een problematische benaming vind. Want goed gemaakte slow-cinema is juist allesbehalve traag en heeft het vermogen je tijdsbeleving in zichzelf te doen opvouwen. En dat is precies wat Xi You doet.

Agatha et les lectures illimitées (Marguerite Duras, 1981)

Duras’ film is één lange dialoog tussen een broer en een zus, maar het feit dat deze wordt uitgesproken in een voice-over, samen met de relatie die wordt aangegaan met het beeld, maakt dat hij toch in dit lijstje past. Wat we zien is een hotel aan het strand waar broer en zus als kinderen kwamen en er na lange tijd weer samen terugkeren. De lege vertrekken, de ramen die uitkijken over de kalm golvende zee, de schelpjes op het strand; zoals vaak in het werk van Duras transformeert de taal de ruimte. Van een onpersoonlijke, lege huls tot een vat van herinnering en liefde. Een liefde die verder gaat dan draaglijk is. “Ik smeek je, help me”, vraagt hij haar. “Ik help je”, antwoordt zij. “Ik vertrek.”

Touki Bouki (Djibril Diop Mambéty, 1973)

In deze Senegalese klassieker willen een koeherder en een student samen hun lamlendige bestaan ontvluchten. Want dat is al net zo vastgelopen als het liedfragment waarin hun droombestemming Parijs in een constante loop wordt bezongen als het paradijs op aarde. Mambéty vertaalt de onthechting van zijn personages naar een montage die soms bewust ontwricht in plaats van verbindt. Droom en werkelijkheid lopen geregeld door elkaar en het is uiteindelijk vooral de realiteit waar de twee van verwijderd raken. In stijl echoot Touki Bouki de Franse nouvelle vague (voornamelijk Jean-Luc Godards Á bout de souffle), maar tegelijk problematiseert de film die Franse invloed en is daarmee ook een commentaar op het kolonialisme en een reflectie op de ontworsteling daaraan, die zoveel langer duurt dan het uitspreken van de onafhankelijkheid.

Le Dernier Combat (Luc Besson, 1983)

Ruim een decennium voor hij zijn naam vestigde met Léon debuteerde Luc Besson met deze post-apocalyptische film waarin de mensheid (of wat daar althans van is overgebleven) zijn spraakvermogen is verloren. Een man, simpelweg aangeduid als l’homme, probeert zich staande te houden terwijl hij wordt opgejaagd door la brute, gespeeld door Jean Reno. Le Dernier Combat is een uitbouw van zijn korte film L’Avant Dernier, waarin hij experimenteerde met vooral geluid. Gefilmd in zwart-wit en met een miniem budget weet Besson een geloofwaardig universum te creëren vol verlaten gebouwen, maffe personages en vliegmachines. Het uitblijven van gesproken woorden (op één ‘bonjour’ na) versterkt de visuele en auditieve ervaring die Besson schept.

Nostos: il ritorno (Franco Piavoli, 1989)

De spaarzame dialoog in Nostos wordt gesproken in oude, in onbruik geraakte talen en is niet ondertiteld. Dat geeft niets, want het zijn de beelden die spreken. De film toont Odysseus’ reis huiswaarts na de Trojaanse oorlog. Op die terugweg wordt hij getroost en geplaagd door herinneringen aan zijn kindertijd, een achtergelaten geliefde en de gewelddadige strijd. Maar het is toch vooral ook het landschap dat de aandacht opeist. Door Piavoli (wiens werk is geroemd door onder meer Stan Brakhage en Andrej Tarkovski) met zo’n aandacht en gevoel voor detail gefilmd, dat de meest triviale taferelen iets abstracts krijgen. Ook zeer de moeite waard is zijn Voci nel tempo, een film die je geloof in de mensheid in één klap nieuw leven inblaast.

Die große Stille (Philip Gröning, 2005)

Al in de jaren ’80 vroeg Philip Gröning de monniken van een kartuizerklooster of hij hen mocht filmen. Ze zouden wel laten weten wanneer ze daar klaar voor waren. Zestien jaar later kwam het telefoontje. Gröning verbleef vervolgens een aantal maanden bij de monniken, in zijn eentje, en filmde hun dagelijkse rituelen. Bijna tweeëneenhalf uur duurt het resultaat en er wordt vrijwel geen woord in gesproken. Maar zoals Roger Ebert mooi beschreef in zijn recensie nodigt juist de verstilling uit om te luisteren, om te zien. Want hoe meer prikkels, hoe meer onze zintuigen zich afsluiten om ons te beschermen voor het teveel. Juist dit is een film die de zintuigen opent. Zoals dat voor vrijwel alle films in dit lijstje geldt.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken