Nu aan het lezen:

De mens versus de woestenij van het wilde westen: vijf vergeten westerns

De mens versus de woestenij van het wilde westen: vijf vergeten westerns

Deze week ging de nieuwe western The Sisters Brothers in Nederland in première, van regisseur Jacques Audiard. De Fransman is niet de enige die in 2018 een western maakte, zo zijn er dit jaar ook onder andere Damsel, Woman Walks Ahead en The Ballad of Buster Scruggs. Sommige daarvan zullen ons land niet eens bereiken. Des te meer reden om terug te blikken op een vijftal vergeten meesterwerken binnen het oudste, nu weer springlevende filmgenre. Kaj van Zoelen koos vijf westerns uit die in hun eigen tijd niet de erkenning kregen die ze verdienden en daarom nu weer even in de spotlight mogen staan.

 

The Big Trail (Raoul Walsh, 1930)

The Big Trail
Het floppen van The Big Trail betekende in 1930 de voorlopige doodsteek van het gloednieuwe 70mm breedbeeld filmformaat. Maar dat had meer te maken met het feit dat de meeste bioscopen in Amerika vlak voor het begin van de Grote Depressie veel geld hadden geïnvesteerd in de invoering van de geluidsfilm, en geen geld meer hadden voor nieuwe en dure technologische innovatie. De groots opgezette western The Big Trail werd daar de dupe van, want het grote budget kon niet terugverdiend worden in de weinige bioscopen waar de film toen draaide.

Bijna een eeuw later valt echter vooral op hoe regisseur Raoul Walsh volop gebruik maakt van de mogelijkheden die het nieuwe, voor die tijd véél bredere beeld hem biedt. Hij schoot door heel Amerika op locatie, om de weidse landschappen en grandeur van de Amerikaanse natuur imposant in beeld te brengen, van de woestijn van New Mexico tot sneeuwlandschappen in het hoge noorden. Vaak vult Walsh het beeld met bewegende mensen, dieren en huifkarren, die hij van grote afstand filmt. Wat resulteert in een dynamisch beeld, waarin bijna altijd iets in beweging is en vaak zelfs heel veel tegelijk. Walsh experimenteerde ook door nooit in close-up te filmen, waardoor zelfs de hoofdrolspelers bijna verdwijnen in het landschap. Zo benadrukt Walsh de grote bewegingen van mensenmassa’s naar het noordwesten van Amerika, en de grootse, woeste natuur zelf, die bedwongen werd door die mensenmassa. Deels dankzij het financiële falen van The Big Trail werd de western tot 1939 gedegradeerd tot goedkope B-producties.

 

Canyon Passage (Jacques Tourneur, 1946)

Canyon Passage
Jacques Tourneur is vooral bekend van zijn horrorfilms, zoals Cat People, I Walked With a Zombie en Night of the Demon, en zijn film noir-klassieker Out of the Past. Maar Tourneur heeft ook een aantal uitstekende westerns op zijn naam staan, waar Canyon Passage de eerste en misschien wel de beste van is. Het is zijn eerste film in kleur, met schilderachtige technicolor beelden van het Amerikaanse noordwesten als resultaat.

Net als onder andere John Ford draait Tourneurs sfeervolle western om de nieuwe, jonge gemeenschap van mensen. Maar in het westen van Canyon Passage is die gemeenschap nog aan het groeien, en eerder een verzameling gebouwen en mensen dan een echt dorp. Keuzevrijheid staat daarbij boven godsdienst en men moet erkennen dat men eigenlijk het land van de Inheemse Amerikanen bezet heeft, en deels bij de gratie leeft van de oorspronkelijke bevolking. Een nuance die je in weinig westerns uit de jaren veertig aantreft. Dit komt het sterkst naar voren in een scène waarin tijdens een bruiloft een blokhut in elkaar wordt gezet door de blanke Amerikanen, waarna het feest kan beginnen. Maar als dan enkele leden van de lokale stam langskomen, ontaardt dit bijna in een gewelddadige confrontatie, die maar net voorkomen kan worden. Tourneurs gemeenschap is er een waarin oorlog en geweld altijd om de hoek liggen, terwijl de langdurige gevolgen van eerdere oorlogen hun sporen nog in de mensen hebben achtergelaten. Waarin moraliteit en het verschil tussen goed en slecht een kwestie van persoonlijke keuzes en perspectief zijn.

 

 

A Man Alone (Ray Milland, 1955)

A Man Alone
A Man Alone is het regiedebuut van acteur Ray Milland, waarin hij ook de hoofdrol speelt: een man die het grootste deel van de film alleen is met zijn paard. Samen banen zij zich een weg door een zandstorm en daarna het verlaten woestijnlandschap dat overblijft. Volledig geïsoleerd, met de dood als enige kompaan. Eerst gaat zijn paard eraan, dan probeert een ratelslang hem te doden en als hij dan eindelijk mensen tegenkomt, zijn ze dood, bloederig vermoord. Maar hij blijkt pas echt alleen te zijn als hij weer de beschaving betreedt. Voordat hij zijn mond open kan doen wordt hij beschuldigd van de moord op de lijken die hij net gevonden heeft. Waarna er al snel kogels op hem afvliegen en hij opgejaagd wordt door de beschaafde mensen. Had hij niet beter alleen kunnen blijven, in de woestenij van zand en steen?

Langzamerhand verandert A Man Alone in een scherpe parabel voor de kwalijke gevolgen van McCarthyisme (net als Silver Lode een jaar eerder, een favoriet van Martin Scorsese), vernoemd naar senator Joe McCarthy, die er in de jaren vijftig een sport maakte van mensen zonder bewijs of reden te beschuldigen van communistische sympathieën, destijds een doodzonde in de Verenigde Staten. A Man Alone heeft af en toe zeer de sfeer van een film noir, vooral in de nachtscènes aan het begin van de film. Die sfeer van isolatie blijft hangen, alleen wordt in het harde zonlicht dat isolement er één van vooroordelen, wantrouwen en angst voor de medemens.

 

Cemetery Without Crosses (Robert Hossein, 1969)

Cemetery Without Crosses
Het lijkt op het eerste gezicht misschien een spaghetti western, maar dit is geen Italiaanse western, het is een Franse. Robert Hossein regisseerde, schreef en speelde zelf de hoofdrol in deze haast stille film, waarin nog veel minder wordt gesproken dan in het werk van Sergio Leone. De door Ennio Morricone geïnspireerde muziek van Hosseins vader André vervangt regelmatig de dialoog, of is in ieder geval te horen op momenten waarop je dialoog zou verwachten. Maar in dit nihilistisch wraakverhaal, waarin wraak een leeg en onbevredigend concept wordt, spreken de grimmige gezichten van de gepokte en gemazelde revolverhelden vooral met hun ogen in plaats van met hun monden – daar zijn ze te (levens)moe voor.

Cemetery Without Crosses is gebouwd op een fundament van stemming, sfeer en landschappen. Personages vermengen zich met de blauwe tonen van de schemering in de woestijn, en raken verloren in het felle zonlicht dat bij dag het zand verhit. Ze worden klein gemaakt door de enorme, eenzame wildernis om hen heen, wat treffend geïllustreerd wordt in een scène waarin de camera zo ver naar achteren wordt getrokken, dat een begrafenisstoet langzaamaan wordt verzwolgen door de zanderige heuvels eromheen. De hele woestijn is de begraafplaats zonder kruisen waar de titel op doelt, een begraafplaats waar ze zich al levend in begeven. Er zullen geen monumenten worden geplaatst ter herinnering aan hun daden, goed of slecht. Het nietsontziende stof waaruit de mannen in de openingsscène verschijnen zal uiteindelijk alle sporen uitwissen van hun bestaan.

 

Man in the Wilderness (Richard C. Sarafian, 1971)

Man in the Wilderness
De restauratie en release op blu-ray van Man in the Wilderness is misschien wel het beste dat voortkwam uit de hype rondom The Revenant van Alejandro González Iñárritu. Beide films presenteren een fictieve versie van een deel van het leven van Hugh Glass, die hier omgedoopt is tot Zachary Bass, maar behalve dat ze dezelfde legende als inspiratie gebruikten hebben de films weinig gemeen. Bass, gespeeld door Richard Harris, wordt aangevallen en zwaar gewond door een grizzlybeer. Hij wordt voor dood achtergelaten door een expeditie van pelsjagers, onder leiding van Captain Henry, gespeeld door John Huston.

Het miraculeuze herstel van Bass is echter niet een simpele opmars naar een wraakverhaal, zoals in The Revenant, hoewel wraak wel in zijn gedachtes voorkomt. Zijn herstel, de manier waarop hij opnieuw leert te leven in de wildernis en zijn korte interacties met Inheemse Amerikanen (die hij overigens niet verstaat) geven hem een nieuwe waardering van het leven, vol spiritualiteit en liefde. Zijn overlevingsstrijd is een existentiële strijd om de ziel binnen het mannelijk lichaam.

Daar tegenover staat Captain Henry die spiritualiteit verafschuwt ten faveure van geweld en eigenbelang. Meer dan tien jaar voordat Werner Herzog Fitzcarraldo een boot over een berg laat trekken, doet Henry hetzelfde in de Amerikaanse wildernis met een boot met een kanon erop, voortgetrokken door de bossen en prairies door zijn ondergeschikten. Terwijl Bass een wordt met de natuur, probeert Henry deze op krankzinnige wijze te trotseren. De prachtige manier waarop deze spirituele reis en de landschappen door de miskende Sarafian in beeld zijn gebracht, doet ondertussen denken aan Hollandse meesters als Pieter Brueghel en Lucas van Leyden.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken