Nu aan het lezen:

De horror van Stephen King

De horror van Stephen King

 

“I was made to write stories and I love to write stories.”

Met een nog steeds ontwikkelend oeuvre van op dit moment 54 boeken en meer dan 200 korte verhalen is het duidelijk dat horrorkoning Stephen King van schrijven houdt. Dat zijn werk ongekend populair is moge ook duidelijk zijn. Vorige maand ontving hij uit handen van Obama nog de National Medal of Arts, met als commentaar: “One of the most popular and prolific writers of our time, Mr. King combines his remarkable storytelling with his sharp analysis of human nature. For decades, his works of horror, suspense, science fiction, and fantasy have terrified and delighted audiences around the world.” Sinds zijn schrijversdebuut in 1974 zijn King’s verhalen ook de basis geweest voor vele films en miniseries. In Oktober Horrormaand mag een bespreking van deze verfilmingen natuurlijk niet ontbreken.

Onbegrijpelijk maar waar: King’s eerste boek was het magistrale Carrie. Het verhaal over een getormenteerd meisje met telekinetische krachten vormde tevens de basis voor de eerste King verfilming, Carrie (1976) van New Wave filmmaker Brian de Palma. Op veel vlakken is Carrie klassieke horror: supernatuurlijke krachten, schrikeffecten, ijle muziek en lekker veel bloed. De jonge Carrie wordt gepest op school en heeft thuis een emotioneel instabiele en streng religieuze moeder, die haar dochter’s eerste ongesteldheid gezellig uitlegt als een straf van God. Wanneer de populaire jongen Carrie meevraagt naar prom lijkt het tij gekeerd, maar het blijkt slechts een wrede grap. In een iconische scene wordt Carrie’s kroning als prom queen verstoord door de gemeneriken die een emmer met varkensbloed over haar uitstorten, haar grenzeloos voor lul zettend. Terwijl Carrie haar moeder voor haar geestesoog ziet verschijnen (“they’re all gonna laugh at you!”) komen haar telekinetische krachten ineens in volle kracht naar buiten. De deuren van de danszaal gaan op slot, en het is genoeg om te zeggen dat het niet goed eindigt met de pestkoppen en al die docenten die nooit ingrepen.

Als kijker bevind je je constant in tweestrijd ten opzichte van Carrie: enerzijds heb je ontzettend veel medelijden met het meisje, anderzijds is ze ook wel heel erg eng. Dit type psychologische horror, waarbij de angsten en emotionele instabiliteit van het hoofdpersonage zorgen voor een constante spanning, is typisch King. In hetzelfde straatje valt bijvoorbeeld IT, het verhaal over een moordlustige interdimensionale levensvorm die de gedaante aanneemt van clown-gone-wrong Pennywise (in de miniserie uit 1990 geweldig vertolkt door de onvolprezen Tim Curry). King wisselt dit soort spanning uiteraard af met heerlijke schrikelementen, zoals aan het einde van Carrie. Net als je denkt dat alles goed en veilig is…

Die doorlopende spanning is veel subtieler aanwezig in het prachtige The Shining. Geschreven in 1977 en in 1980 verfilmd door de briljante Stanley Kubrick, vormt The Shining voor veel horrorliefhebbers een ongekend hoogtepunt, niet in het minst door de hoofdrolspelers: Jack Nicholson als schrijver Jack Torrance, Shelley Duvall als zijn vrouw Wendy en de 7-jarige Danny Lloyd als hun zoon Danny. Jack kampt met een writers block, en het gezin besluit de winter door te brengen in een hotel dat in de wintermaanden onbereikbaar en dus gesloten is. Jack zal als winterconciërge het nodige onderhoud plegen, en ondertussen aan zijn boek werken. Het gaat echter allemaal niet erg soepel bij de Torrances: het schrijven schiet voor geen meter op en Jack, die steeds gefrustreerder en agressiever wordt, grijpt vaker en vaker naar de alcohol. Ondertussen blijkt zoontje Danny het verleden en de toekomst te zien, en er blijken aardig wat nare dingen in het hotel gebeurd te zijn. In tegenstelling tot Carrie zit de horror hier veel meer onderhuids. Realiteit en surrealiteit lopen langzaam steeds meer en meer door elkaar, met als hoogtepunt het moment dat liters bloed in slow motion uit de liften stromen en we kleine Danny geluidloos zien schreeuwen. Met zijn trage lage shots, unheimische muziek, rustige opbouw en uitgestelde angst is The Shining heerlijke suspense horror.

Van een heel ander genre is het in 1984 gepubliceerde Thinner, het een-na-laatste boek dat King schreef onder zijn pseudoniem Richard Bachman. In Thinner laat King zich van zijn beste gory horror kant zien, een effect dat alleen maar wordt versterkt in de verfilming van Michael McDowell uit 1996. Thinner vertelt het verhaal van de dikke arrogante advocaat Billy Halleck, die tijdens het autorijden zo wordt afgeleid door de aftrek-kunsten van zijn vrouw, dat hij een zigeunervrouw overrijdt. Uiteraard krijgt Halleck het voor elkaar om van elke schuld te worden vrijgesproken, iets waar de vader van de overleden vrouw geen genoegen mee neemt. Hij zoekt Halleck op en aait hem over zijn wang, terwijl hij “thinner” fluistert. Je raadt het al: de dikke advocaat verliest als gevolg van de zigeunervloek in korte tijd zeer veel gewicht, totdat hij niet meer dan een wandelend skelet is.

Thinner werd door critici niet goed ontvangen, wat geen verrassing is. Het acteerwerk, het script en met name de special effects zijn op hun best middelmatig te noemen. Het fijne aan Thinner is echter dat het ook niet pretendeert meer te zijn. Goedkope, over the top, bij tijden zelfs komische en absurdistische gory horror: Stephen King zelf kan er in ieder geval van genieten. Zozeer zelfs, dat hij besloot een klein gastrolletje te vervullen in Thinner: als apotheker Dr. Bangor.

Naast zeer diverse vormen van horror blinkt Stephen King ook uit in het schrijven van verhalen met complexe, multidimensionale karakters en verhaallijnen. Één van dit soort verhalen is Stand By Me (Rob Reiner, 1986), gebaseerd op het in 1982 gepubliceerde korte verhaal The Body. Stand By Me is een coming of age verhaal over vier jeugdvrienden die op zoek gaan naar het lichaam van Ray Brower, een jongen die doodgereden was door een trein maar wiens lichaam nog niet was gevonden. Gedurende het verhaal komen de levensverhalen van de jongens zelf naar voren, stuk voor stuk levens vol drama. De jonge zachte Gordie (Wil Wheaton) wordt afgewezen door zijn vader na de dood van zijn oudere broer, Chris (River Phoenix) komt uit een familie van alcoholisten en drugsgebruikers, Teddy (Corey Feldman) lijdt onder het gedrag van zijn mentaal instabiele vader en de dikke Vern (Jerry O’Connell) wordt gepest. Ook tijdens hun zoektocht naar het lichaam komen ze weer een groep pestkoppen tegen.

Er zitten geen supernatuurlijke elementen in Stand By Me, geen bizarre hoeveelheden bloed, niemand draait zijn hoofd 360 graden rond en er gaat niemand op gruwelijke wijze dood. Is de film überhaupt nog horror te noemen? In pure zin wellicht niet. Maar juist in dit soort verhalen toont King zijn ware meesterschap. De ongekend treffend beschreven personages, die tegelijkertijd complex en zo goed te begrijpen zijn, komen voor lezer en kijker op een dergelijke manier tot leven dat je moeite hebt ze weer los te laten wanneer het verhaal uit is. Carrie, Jack, de jongens uit Stand By Me en zelfs de irritante Halleck: je leert ze kennen alsof het je vrienden zijn. En daardoorheen weeft King met zoveel finesse de horror. Arrogantie, alcoholisme, huiselijk geweld, religie, pesterijen: de ware horror is de mens zelf. Die reflectie op het leven vormt de constante ondertoon in heel King’s oeuvre. In sommige verhalen ligt de klassieke horror het meest aan de oppervlakte, maar met name in zijn omvangrijkere werken deinst King er niet voor terug om juist de mens in al zijn zwakheden centraal te stellen. De populairste King verfilmingen, zoals Under the Dome, The Green Mile en Shawshank Redemption, vallen allemaal onder dit genre te scharen. Stephen King weet als geen ander bloot te leggen tot welke horror de mens allemaal in staat is.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken