Nu aan het lezen:

De heetste zomerfilms

De heetste zomerfilms


Mocht je het vergeten zijn: het is zomer! Om dat te vieren hebben we de ultieme lijst zomerfilms samengesteld. Denk aan verkoelende zwembaden, zwoele nachten en koude biertjes. Maar ook oplopende spanningen, zwetende killers en opgefokte criminelen. Het komt allemaal voorbij op onze Cine Zomerlijst!

La Piscine (Jacques Deray, 1969)

Een mooi jong stel lanterfant rond het zwembad van een villa in Zuid-Frankrijk, maar als een gezamenlijke vriend op bezoek komt met zijn opbloeiende tienerdochter, ontstaan al snel spanningen in de onderlinge verhoudingen en breekt het idyllische oppervlaktelaagje: daaronder blijkt een reservoir aan jaloezie, afgunst en nihilisme schuil te gaan. De film kreeg een soort van remake door François Ozon in de vorm van Swimming Pool in 2003 en in 2015 deed Luca Gaudagnino het nog eens over met A Bigger Splash, maar La Piscine is de Real Deal. Romy Schneider en Alain Delon zijn niet alleen caramelkleurige eyecandy, maar spelen geloofwaardig een verliefd stel dat langzaam het vertrouwen in elkaar verliest als de bombastische Harry (Maurice Ronet) hun leven binnenstormt. Jane Birkin speelt overtuigend zijn naïeve puberdochter Pénélope die verborgen verlangens doet ontwaken. La Piscine is een film noir die zich afspeelt in fel zonlicht, vol met azuurblauw water en gouden lichamen, en met een misantropische lading die ervoor zorgde dat de film in meerdere landen uitgebracht werd met een ander, ‘moreel verantwoord’ einde. (Luuk van Huët)

Il Sorpasso (Dino Risi, 1962)

Regisseur Dino Rissi is vooral bekend geworden door Profumo di donna (1974), de inspiratie voor het Amerikaanse Scent of a Woman (1992). Rissi maakte eerder Il Sorpasso met Vittorio Gassman en Jean-Louis Trintignant, die een onwaarschijnlijk duo vormen. De film is een zonnige roadtrip door een zomers Italië, maar ook een psychologisch portret van twee verschillende personages. Gassman speelt een impulsieve en gepassioneerde verkoper die van dag tot dag leeft. Hij komt per ongeluk een verlegen en onzekere student tegen en neemt hem op sleeptouw door Italië. De reis heeft een heerlijk ongedwongen en relaxt tempo en het losse verhaal voelt aan als een onvoorspelbare vakantie. Nog niet overtuigd? Luister dan naar regisseur Alexander Payne die vertelt over hoe de film van invloed is geweest op zijn Sideways. (George Vermij)

Sexy Beast (Jonathan Glazer, 2001)

‘It’s a love story that turns into a horror story.’ Zo vatte Ray Winstone Sexy Beast samen in een interview. Hij speelt in de film Gal Dove, een crimineel die het misdaadleven heeft verruild voor een leven in Spanje met zijn vrouw en een bevriend stel. Zijn dagen brengt hij door in een gele speedo aan het zwembad onder de immer brandende zon. ‘Roastin’, boilin’, bakin’, swelterin’.’ Het is de debuutfilm van Glazer, die ook Birth en Under the Skin maakte. En net als die films houdt Sexy Beast zich niet aan de verwachtingen. De plot kennen we uit andere misdaadfilms (gepensioneerd crimineel moet nog één laatste klus doen), maar de hitte maakt het tempo sloom en Glazer is eigenlijk veel meer geïnteresseerd in zijn personages dan in de heist. Bouwend op een ijzersterk script is Ben Kingsley briljant als de opgefokte Don Logan en brengt Winstone een verrassende tederheid in zijn vertolking van Gal. (Elise van Dam)

Hawaii, Oslo (Eric Poppe, 2004)

Hawaii, Oslo is een magisch-realistische mozaïekfilm in de lijn van Magnolia, maar dan met een flinke dosis Scandinavische grimmigheid. Verhalen over gedetineerden en psychiatrisch patiënten die op het verkeerde pad dreigen te raken, suïcidale zangers, getormenteerde ambulancebroeders, verlaten kinderen en doodzieke baby’s, allemaal gefilmd met een grimmig-realistische cameravoering die niet zou misstaan in een film van Thomas Vinterberg. Niet Scandinavisch is het weer, want het normaal zo druilerige Oslo wordt geteisterd door een hittegolf. De warmte past perfect bij de verhitte verhoudingen tussen de personages én het paradijs waar ze allemaal van dromen: Hawaii, in dit geval de naam van zowel de eilandengroep waar één van de personages heen wil vluchten, als een Noors tiki-restaurant waar enkele van de personages hebben afgesproken elkaar te ontmoeten. Als de film aan het einde een vlucht neemt richting religieuze symboliek krijgt de allesverzengende hitte nog een extra betekenis: deze aarde kan wel eens een hel zijn waaraan een van de personages weet te ontsnappen. (Theodoor Steen)

The Wayward Cloud (Tsai Ming Liang, 2005)

De hitte is niet uit te houden, maar gelukkig komt er in Nederland gewoon nog water uit de kraan. In een extreem verhit Taiwan is er echter een waterrantsoen, waardoor mensen zich maar proberen te redden met watermeloenen. Het weer doet ook gekke dingen met de mensen, want al in de openingsscene krijgen de watermeloenen een andere, wat geilere functie: The Wayward Cloud valt het beste te beschrijven als een arthousemeloenenporno. Correctie, de film valt het beste te beschrijven als een arthousemeloenenpornomusical, want de heerlijk lome en landerige sfeer van Tsai Ming Liangs gebruikelijke werk wordt onderbroken door fantastische musicalsequenties in ouderwetse Hollywoodstijl. En dat op de klanken van traditionele Taiwanese radiohits uit de jaren 50 en 60. De personages in The Wayward Cloud hebben de zomer in de bol, en het publiek krijgt dat ook, waardoor het naargeestige en absurde einde extra hard binnenkomt. (Theodoor Steen)

Do The Right Thing (Spike Lee, 1989)

Een hittegolf doet rare dingen met mensen. Je slaapt slecht, ergert je de hele tijd, en dan kunnen de gemoederen opeens hoog oplopen. In Do the Right Thing van Spike Lee voel je de zinderende hitte vanaf het eerste shot van het scherm afkomen. Alle kleuren zijn door en door verzadigd. Alles staat op scherp. Rosie Perez danst vrolijk door, maar in de gemêleerde buurt willen de spanningen tussen de verschillende groepen niet meer onderhuids blijven zitten. Net als het zweet komen ze onherroepelijk door de poriën naar buiten. Tot de ketel overkookt, en Mookie (gespeeld door Lee zelf) zorgt voor de destructieve, maar onvermijdelijke — en misschien zelfs nodige — ontlading. (Hedwig van Driel)

Rumble Fish (Francis Ford Coppola, 1983)

‘You know. The older you get you say, “Jesus, how much I got? I got thirty-five summers left.” Think about it. Thirty-five summers.’ Het zijn de woorden van Tom Waits die als barman levenswijsheden uitdeelt aan Rusty James (Matt Dillon). Het is een snikhete zomer in Tulsa, Oklahoma waar Rusty na jaren opeens zijn broer weer terugziet. Die was ooit op zijn motor naar het westen getrokken om te vluchten voor zijn alcoholistische vader en een nieuw leven op te bouwen. Rusty’s coole broer wordt perfect gespeeld door Mickey Rourke, die van Coppola foto’s van Albert Camus kreeg als inspiratiebron. Ondanks het feit dat Rusty naar hem opkijkt zal deze zwoele zomer zijn relatie met hem voorgoed veranderen. Rumble Fish is nog steeds een van mijn favoriete Coppola’s met prachtig zwart-wit-camerawerk dat aan het werk van Jim Jarmusch doet denken en een opzwepende soundtrack van Stewart Copeland van The Police. (George Vermij)

Tambien La Lluvia (Icíar Bollaín, 2010)

Erger dan een door de regering opgelegde waterschaarste om problemen te voorkomen, is een waterschaarste als gevolg van privatisering en de belangen van multinationals. Tambien La Lluvia speelt zich af tijdens de wateroorlog in Cochabamba, Bolivia rond de eeuwwisseling, waarbij de bevolking in opstand kwam tegen significant gestegen waterprijzen vanwege een regering die de economische belangen van grote bedrijven belangrijker vond dan de levensstandaard van de bevolking. Tambien La Lluvia gebruikt deze achtergrond om uitbuiting in allerlei vormen te onderzoeken. In de film strijkt een buitenlandse filmcrew neer in Cochabamba, tijdens de rellen, om een film op te nemen over Christopher Columbus. Regisseur Icíar Bollaín en scenarist Paul Laverty (tevens echtgenoot van de regisseur en vaste scenarist van Ken Loach) vergelijken de uitbuiting van de Boliviaanse bevolking met de uitbuiting van cast en crew door hun regisseurs en de uitbuiting van de oorspronkelijke bewoners van de Caribische eilanden door Christopher Columbus en de kolonisten. Waar het vroeger goud was waar doden om vielen, blijkt nu zoiets essentieels als water door kapitalistisch gekonkel verworden tot een nieuw wapen om de bevolking onder de duim te houden. (Theodoor Steen)

The Treasure of the Sierra Madre (John Huston, 1948)

‘The big stars of the movies are rarely exposed in such cruel light as that which is thrown on Humphrey Bogart in this new picture,’ schreef Bosley Crowther in de New York Times toen The Treasure of the Sierra Madre verscheen. Hij verwees daarmee naar de compromisloze wijze waarop de onaangename aard van Bogarts personage Fred C. Dobbs blootgelegd wordt – maar ook in letterlijke zin heeft hij gelijk. Het licht op Bogarts bezwete kop doet hem bepaald niet ogen als een filmster. Die belichting (natuurlijk licht in de dagscènes, hard kunstlicht in de nachtscènes) maakt de temperatuur voelbaar in John Hustons rauwe, cynische neo-western. Drie goudzoekers beproeven hun geluk in de bergen, maar zodra de buit gevonden is groeit het wantrouwen onderling. Vooral Dobbs blijkt niet bestand tegen zijn eigen hebzucht. Aan het einde van de film is hij door de goudkoorts en de hitte veranderd in een smerig beest, glimmend van het zweet, zijn haar in plakkerige plukken boven zijn ingevallen ogen. Bij dat beeld verlang je naar een grote slok ijskoud water. (Julius Koetsier)

Wake In Fright (Ted Kotcheff, 1971)

Niets klinkt als het warm is zo lekker als een ijskoud biertje. Maar echt dorst lessen doet het niet — alcohol maakt uitdroging eigenlijk alleen erger. En als je gestrand bent in een machostadje in de Australische outback kan je ook misschien maar beter helder blijven. Had leraar John Grant zich in Wake in Fright maar aan dat goede advies gehouden, toen hij strandde in The Yabba. In plaats daarvan klokt hij glas na glas naar binnen en begint zijn afdaling naar een heel specifiek Australische hel — kangoeroeliefhebbers kunnen de film liever vermijden. (Hedwig van Driel) 

The African Queen (John Huston, 1951)

Aan de andere kant: alcohol doodt wel virussen en bacteriën. Iedereen op de Afrikaanse set van The African Queen werd ziek: Katharine Hepburn hield een emmertje paraat om tussen takes in te kunnen kotsen. Iedereen… behalve haar tegenspeler Humphrey Bogart en regisseur John Huston, volgens Bogart omdat ze het water niet aanraakten en het hielden bij whiskey. Hepburn kon later wel lachen om de ervaring, en publiceerde haar vermakelijke setdagboek. Dat het heet was: dat zie je aan de film. Zelfs de propere missionaris-zus die Hepburn speelt kan de straaltjes zweet niet verbergen. Des te leuker is het om het (natuurlijk in romantiek eindigende) gekibbel tussen Hepburn en Bogart te zien. Filmen in Oeganda en Congo was misschien niet de meest verstandige beslissing, maar het resultaat was de ontberingen waard. (Hedwig van Driel)

The Romantic Exiles (Jonás Trueba, 2015)

Voor mijn geld is dit toch een soort vakantie in filmvorm. Jonás Trueba’s films hebben altijd een relaxed tempo en een melancholische, romantische sfeer. Hij volgt schrijvers, cinefielen en weifelende artistieke types op een manier die aan de cinema van Éric Rohmer doet denken. In The Romantic Exiles reizen drie vrienden van Spanje naar Frankrijk tijdens een prachtige zomer. Ze genieten van het weer en komen oude bekenden tegen. Vrouwen waar ze op vielen of vriendinnen waar ze weer even intiem contact mee hebben.Trueba filmt het teder, levensecht, met hier en daar een poëtisch moment dat aanvoelt als de eerste kus van je grote vakantieliefde. Een gemoedelijk en puur effect, dat hij bereikt door gebruik te maken van acteurs die hij goed kent en die steeds terugkomen in zijn films, zoals in het net zo mooie La Reconquista. (George Vermij)   

Dust Devil (Richard Stanley, 1992)

Richard Stanley baseerde zich voor deze film deels op de legende van de Namibische seriemoordenaar Nhadiep. Hier heet de mysterieuze killer Hitch (gespeeld door Robert John Burke), die als lifter vrouwen oppikt en op ritualistische wijze vermoordt. Het politieonderzoek vindt aanwijzingen dat hier misschien geen sprake is van een ‘doorsnee’ moordenaar, maar een gedaanteverwisselende duivel. De film werd gedraaid in de Namibische woestijn en is gedrenkt in oranje kleuren die de hitte van het scherm af doen zinderen. Stanley kreeg na Dust Devil de kans om The Island of Dr. Moreau te verfilmen met een groot budget en Marlon Brando. Dat liep op z’n zachtst gezegd niet goed af (wie meer daarover wil weten kan ik de documentaire Lost Soul aanraden) en Stanley regisseerde sinds die tijd geen speelfilm meer. (Elise van Dam)

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken