Nu aan het lezen:

Cine Flashback: Computer Chess

Cine Flashback: Computer Chess

Voor de nieuwe rubriek Cine Flashback kiest een redacteur een oudere film uit, zonder dat er een specifieke aanleiding is, gewoon omdat deze wat aandacht verdient. Deze keer zag Sjoerd van Wijk Computer Chess. Een vreemde komedie over de mens in al haar onhandigheid.

Het schaakspel is een iconisch symbool in films. Van de partij tegen de dood in The Seventh Seal tot D’Angelo Barkdales uitleg in The Wire, het bewijst keer op keer een aangrijpende metafoor te zijn. Zo ook in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie. Een keerpunt is 1997. Wereldkampioen Gary Kasparov verliest van schaakcomputer Deep Blue. Is de mens voortaan de mindere van haar instrumenten? Computer Chess biedt een bespiegeling over deze vraag. In het jaar 1984 komen techneuten uit heel Amerika bijeen op een congres voor een schaaktoernooi. De spelers zijn niet zij zelf, maar hun schaakcomputers. Ze dromen er allen van om uiteindelijk een computer te bouwen die beter is dan de mens.

Er zijn echter verschillende beren op het pad. Zo helpt een schaakcomputer zijn eigen wedstrijden om zeep met blunders, tot frustratie van een nerveuze promotiestudent. En de eigenzinnige onderzoeker Michael Papageorge heeft geen kamer en is gedwongen tot oeverloos rondzwerven door de gangen en andermans kamers. Tevens vindt tegelijk een zweverige spirituele retraite voor stelletjes plaats onder leiding van een zelfhulpgoeroe. Dit alles vormt een vervreemdende parodie die in haar spot existentiële vraagstukken over intelligentie en bewustzijn raakt.

De film is geschreven en geregisseerd door Andrew Bujalski, met een film als Funny Ha Ha een speler in de Amerikaanse mumblecore. Een genre gekenmerkt door de korrelige handcamera die de beslommeringen van onzekere twintigers gadeslaat. Het zijn veelal onafhankelijke producties in de geest van pionier John Cassavetes. In Computer Chess breidt Bujalski de reikwijdte van het mumblecoregenre uit. Geen drama, maar een zwart-wit mockumentary, alsof het een verslag van de conferentie is. En in plaats van onzekere jongvolwassenen zijn het sociaal ongemakkelijke computeraars die mompelen over schaakstrategieën.

Het hotel vormt een Spartaans decor waar alleen oog is voor gespannen gezichten en massieve apparaten. Ondanks de wetenschappelijke interesse is competitie de belangrijkste drijfveer. Niet alleen tussen de schaakcomputers, maar ook tussen maker en machine zelf. Terwijl de film met kopjes de planning bijhoudt komen de tegenstellingen naar voren door de grauwe close-ups van computer en mens. Maar de verhevenheid is ver te zoeken, het futuristische muzikale leitmotiv versterkt eerder de knulligheid van de computeraars. De wil om te winnen is aanwezig in de split screens, maar daarvoor is men afhankelijk van de prestaties van het programma. Men heeft niets in de eigen hand.

Toch ziet men de computer als een extensie van het brein, geprogrammeerd om de werkelijkheid te helpen bevatten. Het staat in schril contrast tot de spirituele zwevers, die op een andere manier hun brein proberen uit te breiden. Voor beiden geldt echter dat ze trachten de werkelijkheid in een model te grijpen. Maar is een model niet altijd ontoereikend? Zoals een zwever zegt over het schaakbord, ‘er is meer dan 64 velden.’ Gaandeweg blijkt de realiteit dan ook weerbarstiger dan het model. Bujalski gebruikt eclectische stijlexperimenten om dit te tonen, van negatieven en gemixte beelden tot een uitstap naar kleurenbeeld. Doordat de film verder de documentairestijl aanhoudt komen er hiaten in de werkelijkheid, die de mens nooit zal kunnen doorgronden.

Het idee dat alles te calculeren valt lijkt zo een grote beperking. Maar Computer Chess gaat niet voor harde technologiekritiek zoals bijvoorbeeld Koyaanisqatsi. Te midden van alle stugge berekening is de mens in haar onhandigheid het onvoorspelbare element. Het leven is soepel, niet star. Het hotel puilt uit van rondzwervende katten, een reminder dat soepelheid niet uit te sluiten valt. De eigenaardige computertypetjes zoals Papageorge openen door hun komische karakter de deur naar verhelderende reflectie op onze relatie met technologie. Een mens met technologie is vandaag de dag wellicht als een alcoholist met een vat wijn, maar dit is niet noodzakelijkerwijze de enige logische uitkomst.

Of de oplossing voor de afhankelijkheid van technologie nu spiritueel is of niet, het loont verder te kijken dan onze neus lang is. Zoals de promotiestudent na een onverdiende scheiding van zijn schaakcomputer een riskante beslissing neemt, een sprong in het diepe. Computer Chess lijkt te willen zeggen dat de mens juist moet koesteren dat ze niet alles weet en uiteindelijk maar wat doet. Het moment dat we niet meer om onszelf kunnen lachen is het moment dat Deep Blue daadwerkelijk heeft gewonnen.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken