Nu aan het lezen:

Can You Ever Forgive Me

Can You Ever Forgive Me

Vanuit haar luxe kantoor met uitzicht op Manhattan snauwt de uitgever van Lee Israel (Melissa McCarthy met vlassige pruik) haar ongenadig hard toe: ‘You can be an asshole when you’re famous, but as a nobody you can’t be a bitch.’ Een bitch is Israel zeker. Wat ze niet is: een man, knap, of rijk, laat staan iemand die een schoon overhemd aandoet en glimlachend voor de camera boeken signeert. Het draagt bij aan de afwezigheid van succes die zich uitstrekt van haar werk naar haar persoonlijke leven en weer terug. Can You Ever Forgive Me, gebaseerd op de gelijknamige memoires van Isreal, schetst in wazige stroken het New Yorkse literaire leven uit de jaren negentig, maar dan wel dat van een auteur die op een cocktail de garnalen in haar tasje stopt om ze thuis voor de televisie samen met haar kat op te peuzelen. Nicole Holofcener en Jeff Whitty, die het boek hebben bewerkt, hebben Lee zo complex, ruw en onbehouwen menselijk gelaten als maar kan. Elk micromoment dat Lee sympathie oproept werkt ze door haar lompheid zelf tegen. Als schrijver en mens is ze de vijftig gepasseerd, gefrustreerd en vermoeid op een venijnige manier.

Wanneer Lee financieel met haar rug tegen de muur staat, besluit ze een brief te verkopen die de actrice Katherine Hepburn haar persoonlijk heeft geschreven. De paar honderd dollar die ze daarmee verdient brengen haar op het idee haar talenten aan te wenden om brieven van bekende schrijvers (Dorothy Parker, Lillian Hellman) te vervalsen en aan te dikken met sappige persoonlijke ontboezemingen. Als biograaf is het makkelijk in de huid te kruipen van een ander, en even bloeit haar creatieve ego op. Ze heeft geen last meer van writer’s block en floreert onder andermans naam: Dorothy Parker better than Dorothy Parker!

Lee is overigens niet de enige wier voortbestaan wordt bedreigd. Een prachtige Richard E. Grant in de rol van Jack Hock, die als in verval geraakte dandy toevallig haar leven in dartelt, blijkt net zo’n eenzaam wrak. De film gaat in veel opzichten over het einde. Het einde van het geloof in de eigen (kinder-)dromen en idealen. Het einde en de nasleep van de aidsepidemie. Het einde van een bloeiende artistieke cultuur in New York die met armoede flirt maar daar nooit aan ten onder gaat. We weten wat er komen gaat, en dus stemt de manier waarop Lee haar persoonlijke integriteit als lesbienne, schrijfster en misantroop verdedigt melancholisch. Tegelijkertijd staat de film het nooit toe daar nostalgisch of sentimenteel over te worden, of medelijden te hebben met Lee en haar lotgenoten. In plaats daarvan zien we hoe een (eenzame) kat in het nauw rare sprongen maakt.

Treffend voor de sublieme regie van Marielle Heller is de manier waarop de opbloeiende liefde wordt getoond tussen Lee en Anna (Dolly Wells), een boekhandelaar aan wie Lee haar vervalste brieven verkoopt. In spaarzame toetsen schetst Heller de contouren van geknakte verlangens. Niet zozeer omdat Lee verstrikt is in haar eigen web aan leugens rondom de brieven, maar doordat ze zelf is gaan geloven in de onomkeerbaarheid van haar isolement. Toch toont Heller ons niet de teleurstelling van Lee, maar het grote, expressieve gezicht van Wells. Gefilmd van onderen, als door de ogen van Lee, zien we alles en nog veel meer: de onzekerheid, het besef van de afgeslagen illusie, de ontgoocheling.

Als er iets te bekritiseren valt, is het een toespraak voor een rechter die aanvoelt als te veel uitleg voor een film die de zaken zo discreet en tegelijkertijd vanzelfsprekend net aan de oppervlakte laat borrelen. Toch weerstaan Heller en de scenaristen de verleiding Lee’s misdaden en gedrag te moraliseren of goed te praten. Lee en Jack hebben lol, doen dingen die niet door de beugel kunnen maar hebben wel een idee van goed en kwaad.  Uiteindelijk draait de film om de weerzin van Lee om haar persoonlijkheid en werk bloot te stellen aan ogen van buitenstaanders. Dit komt natuurlijk mede doordat we naar een product van dit dilemma kijken, waarbij er tot in de meest abjecte details wordt getreden. De kattenontlasting onder haar bed is toch wel een dieptepuntje waar een zekere vorm van schaamteloosheid, of het soort eerlijkheid die niet aan spaarzaamheid doet, voor nodig is. Dit maakt de vraag of zichtbaarheid echt zo’n privilege zou moeten zijn niet minder relevant, en Can You Ever Forgive Me? maakt dit duivelse dilemma scherp invoelbaar.  

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken