Nu aan het lezen:

Bohemian Rhapsody

Bohemian Rhapsody

 

Hollywood is nog te klein voor Bohemian Rhapsody, een groots aangezette viering van Muziek en Mercury. Op zo’n schaalniveau laat een zwak script alleen maar diepere sporen achter. De erfenis van Queen laat zich niet onderschatten, en verplichtte de makers op voorhand stelling in te nemen:  de film is uitgesproken fictie. Dat maakt het onredelijk om uitgebreid af te geven op historische fouten, zoals de suggestie dat Queen aan het begin van de eighties jarenlang geen plaat opnam. Het onderscheidt Bryan Singers publieksbombast (na diens ontslag afgemaakt door Dexter Fletcher) hooguit nog wat opzichtiger van documentaires zoals Champions of the World (1995) en Days of Our Lives (2011).

Er is alleen een verschil tussen presentatie en representatie, en op dat laatste vlak gaat scriptschrijver Anthony McCarten genadeloos hard onderuit. McCarten, recentelijk ook al de valste noot in de afgevlakte Churchill-bio Darkest Hour, lijkt zich ertoe ingespannen te hebben het verhaal van Mercury in een zo smetteloos mogelijk format te verwerken. De resulterende uitbuiting van conventies is een continue nekslag voor iedere poging van Rami Malek (Mr. Robot) om een authentieke versie van Mercury neer te zetten.

McCarten laat Malek in het kantoor van zijn manager Jim Beach (Tom Hollander) zeggen dat hij maling heeft aan formules. Niets lag dichter bij Mercury’s waarheid: grenzen waren mythes, excessen werden zijn norm. Niemand kon Mercury en zijn band in hokjes plaatsen, maar dat is precies wat Bohemian Rhapsody wél doet. Queen, dat is kennelijk een roadtrip door Midwest USA, de droom van iedere (?) band. Bohemian Rhapsody, dat is het type pianomelodie dat zichzelf schrijft terwijl je in bed ligt met je vriendin (Sing Street’s Lucy Boynton). En Mercury? Dat is het schoolvoorbeeld van de eenzame artiest, die moet kiezen tussen een wereld ‘waar hij niet in thuishoort’ (zie daar, een belerend vingertje) en zijn vrienden plus gestereotypeerde conservatief-zoroastrische familieleden. Natuurlijk kiest hij dan voor de muziek. Zodat hij nog één keer alles uit zichzelf kan halen. Tot het bittere einde.

Ondertussen was die wereld, waarin Mercury ‘niet thuis zou horen’, wel degelijk Mercury’s wereld. Het was de wereld van de échte Queen, die schittert in relatieve afwezigheid. Bohemian Rhapsody focust zich op het ontstaan van de grootste hits en de onderlinge verhoudingen tussen de bandleden, waarbij we van Mercury’s privé-uitspattingen vooral de sociale gevolgen te zien krijgen. De kern van Mercury’s psyche en seksualiteit blijven afgeschermd, verschijnen alleen gefilterd. Het gaat, met andere woorden, vaker om de wisselende manieren waarop de mensen uit zijn omgeving (om nog niet te spreken over de pers) zich tot de markante frontman verhouden. En dat botst in een film die wel degelijk de symptomen van een serieuze biopic vertoont.

Nog kwalijker is dat het bijdraagt aan een schrijnende weergave van Mercury’s biseksualiteit, die door een constante afwisseling van de impliciete labels hetero en homo nergens serieus genomen lijkt te worden. Het woord biseksueel valt alleen als Mercury bij zijn Mary uit de kast komt, waarop laatstgenoemde direct reageert met een welgemeend ‘je bent gay’. Vervolgens is er net voldoende aandacht voor Mercury’s relatie met Jim Hutton (Aaron McCusker), en zelfs voor een latere verzoening met Mary. Maar de twee polen wisselen elkaar telkens af, alsof het compromisloze leven van de zanger een stap te ver was voor de compromis die de makers naar het doek wilden brengen.

Is Bohemian Rhapsody gemaakt voor een publiek dat Mercury niet of nauwelijks kent? Een nieuw publiek, dat normaal alleen luistert naar nieuwe muziek? Het zou verklaren waarom je tijdens de film vooral kunt meeklappen met Radio Ga Ga, meestampen met We Will Rock You. De zee van Dolby Atmos is dan een kennismaking voor een nieuwe generatie, een slim alternatief voor een doelgroep die bij een one night only-vertoning van Live Aid waarschijnlijk thuis zou blijven.

Pijnlijk genoeg kan die vlieger nooit volledig opgaan. Bohemian Rhapsody duurt veel te lang voor een film die enkel een muzikale update wil zijn, en aan de geschiedenis van Queen is bijzonder veel aandacht besteedt. Wie zich in de moeizame productie verdiept, komt er daarnaast snel achter hoe er kosten nog moeite gespaard zijn om de film als een ware flashback te presenteren. Het maakt het gemis van een gelaagd script alleen nog maar groter. Wat is dat toch met die poldervlakke oneliners? Met ‘we zijn familie, maar allemaal verschillend’ en ‘als je moet doen alsof, kom je nergens’ kom je inderdaad nergens. En dat is doodzonde. Malek bezit namelijk niet alleen het vereiste uiterlijk, maar ook een meer dan redelijk aandeel in de bevlogenheid die Mercury tot zo’n onnavolgbare verschijning maakte. Die unieke combinatie van eigenschappen verklaart misschien waarom Brian May en Roger Taylor, vandaag de dag vergezeld door Adam Lambert, hun goedkeuring aan de film verleend hebben.

De dynamische registratie van het Live Aid-concert (Live Aid, want Live Aid?) zorgt voor een lyrische finale, waarin muzikale kunde en tomeloze energie op een memorabele manier samenkomen. Dat is alleen niet de belangrijkste verdienste van de film. Dat is vooral de verdienste van Queen.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken