Nu aan het lezen:

At Eternity’s Gate

At Eternity’s Gate

 

Indrukken, indrukken, indrukken. Dat is wat Julian Schnabel ons geeft in zijn Vincent van Gogh-biopic At Eternity’s Gate. Kleur, licht, textuur, geluid. De wind die takken tegen het raam doet slaan, die ruist door de maisvelden. De door droogte gebarsten grond van de akkers en de zwartgeblakerde koppen van de zonnebloemen. Het gele zonlicht dat over het landschap heen spoelt en alles opwarmt.

Ik schrijf ‘biopic’, maar dat is eigenlijk nauwelijks een juiste kwalificatie. At Eternity’s Gate beslaat de pakweg laatste twee jaar uit Van Goghs leven, vanaf het moment dat hij in 1888 het drukke en grijze Parijs (en de nabijheid van broer Theo) verruilt voor het landelijke, kleurrijke Arles tot aan zijn in misten gehulde dood in 1890. Maar Schnabels film gaat niet over de biografische feiten, het is een poging ons in het hoofd van Van Gogh te plaatsen, in zijn periodes van luciditeit waarin zijn hele wezen gericht is op de wereld buiten hem, die soms omsloegen in periodes waarin zijn brein juist een soort echokamer lijkt, een benauwende gevangenis.

Het is makkelijk om Van Gogh (gespeeld door Willem Dafoe, die is genomineerd voor een Oscar) neer te zetten als de getroebleerde artiest, de mad genius. Wie Van Gogh zegt, zegt afgesneden oor. En ja, ook At Eternity’s Gate raakt aan die episode, alsook zijn zenuwinzinkingen en ‘vrijwillige’ opnames in gestichten. Maar, en dat is gek genoeg zeldzaam voor biopics over kunstenaar, de kunst staat centraal, of preciezer gezegd de kunstenaarsblik van Van Gogh. Daarop is alles gericht. De dialogen zijn vaak gesprekken over kunst, over het kijken dat daaraan ten grondslag ligt. En het camerawerk van Benoît Delhomme is even springerig en tegelijk aandachtig als de rusteloze blik van Van Gogh, waarmee hij constant zijn omgeving aftast, even jachtig als diens denken, dat alleen stopt wanneer hij schildert.

In een interview met Indiewire gaf Schnabel aan dat hij op een bepaald moment een sequentie had van negentien minuten waarin Dafoe door de natuur loopt met zijn schildersezel. Hij besloot die niet volledig te gebruiken, omdat hij vreesde daarmee zijn publiek te verliezen. Misschien heeft Schnabel gelijk, misschien kun je dat niet maken, maar moet je het daarom laten?

Tsai Ming-liang liet de toeschouwer in Stray Dogs twaalf minuten kijken naar een shot van een man die naar een schilderij op een muur staat te kijken. Twaalf minuten, naar een praktisch onbewogen beeld. En daarmee dwong hij tot een vorm van kijken die actiever en zelfbewuster is, die je doet reflecteren op het kijken zelf. Een zweem van die radicaliteit zit ook in wat Schnabel hier doet en van mij had hij daar best wat verder mee op de loop mogen gaan. Want het gaat om dat kijken, om die verwoede en liefdevolle, soms sublieme en soms over zichzelf heen struikelende poging te zien wat Van Gogh zag.

Veel van de schilderijen die we in de film zien, werden door Schnabel (zelf ook kunstschilder) gemaakt. Het zijn vaak geen exacte reproducties, maar Schnabels versies van bekende werken van Van Gogh, zoals het portret van dokter Gachet, of het schilderij van een paar schoenen. Het is alsof hij ook via die weg in het brein van Van Gogh wil kruipen, in diens creatieve proces. En ook het camerawerk van Delhomme heeft iets onderzoekends. Zoals wanneer Paul Gaugin (een sterke Oscar Isaac) Van Gogh voorhoudt dat hij niet schildert maar beeldhouwt, met die dikke lagen verf over elkaar heen. Het beeld schakelt even naar zwart-wit, de monochromie benadrukt het reliëf van Van Goghs schilderij, en we zien wat Gaugin bedoelt.

Ik herinner me dat we bij ons thuis een aantal boeken over beroemde schilders hadden en dat ik als kind het vaakst terugkeerde naar het boek over Van Gogh en dat vooral zijn werk uit die laatste jaren me in vervoering bracht. Als ik dat gevoel zou moeten beschrijven zou ik zeggen dat hij niet de schoonheid van de natuur schildert of de brute kracht ervan. Hij schildert het feit dat het leeft. Het is alsof je in de natuur gaat staan en niet simpelweg kijkt naar de omgeving, naar de kleuren en texturen, maar je beseft dat alles rond je, elke boom, elke grasspriet, elke korenaar, vol leven zit. En als je die hoeveelheid leven tot je door laat dringen is dat een overweldigende ervaring.

Schnabel is in zijn film op zoek naar die ervaring. Dat overrompelende, op knappen staande gevoel van leven. Dat Willem Dafoe bijna dertig jaar ouder is dan Van Gogh was in die laatste jaren is in dat opzicht ook geen bezwaar. Het toont de paradox van een man die zich zo volzuigt met leven dat hij zichzelf juist daarmee oprookt. Maar vooral is het geen bezwaar omdat Dafoe fenomenaal is. Hij heeft een gezicht dat gemaakt is voor maniakale rollen, maar wanneer hij daar subtiel spel tegenover zet, creëert dat een enorm reliëf in zijn spel. Hij hoeft de waanzin niet te spelen en doet dat gelukkig ook niet. Wanneer Gaugin hem tot rust maant, antwoordt Van Gogh: ‘it’s called the act of painting for a reason.’ At Eternity’s Gate herinnert ons eraan dat hetzelfde geldt voor kijken.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken