Nu aan het lezen:

Alpha

Alpha

Alpha speelt zich zo’n 20.000 jaar geleden af, en is over die periode ongeveer even accuraat als The Flintstones, hoewel een stuk serieuzer van toon. Zoals in veel pseudohistorische films wordt het verleden gebruikt, misschien onbewust, om hedendaagse waarden op te projecteren. De oertijd, toen mannen nog gingen jagen, nog ruig konden zijn, nog in contact stonden met hun aard. Niks geen tofu! Niks geen kantoorwerk! De vrijheid van het oerbestaan, dat mist de man van nu.

Maar in de films die een tijdelijke ontsnapping naar dat verleden willen bieden, is de samenleving vaak juist opvallend modern. Zo hebben de jagers en verzamelaars in Alpha een stamhoofd. In werkelijkheid leefden onze vroege voorouders waarschijnlijk in egalitaire groepen, waar geen behoefte was aan het soort sterke, masculiene leider dat hier geromantiseerd wordt. Deze Tau (Johannes Haukur Johannesson) heeft een vrouw, Rho (Natassia Malthe), en een zoon, Keda (Kodi Smith-McPhee), en leeft met hen als gezinnetje – een samenlevingsvorm die pas met de landbouwrevolutie ontstond. Tau vertelt Keda over wolven. Hij wijst de leider van de roedel aan, de alfa; blijkbaar is Tau bekend met het boek The Wolf: The Ecology and Behavior of an Endangered Species uit 1970, waarin bioloog L. David Mech deze term introduceert. In 1999 kwam hij overigens terug op zijn onderzoek, daar hij zich vooral gericht had op wolven in gevangenschap, en zag dat ze zich in het wild anders gedragen. De term ‘alfa’ gebruikt hij niet meer. Maar goed, we kunnen van oermensen niet verwachten dat ze twintigste-eeuwse wetenschap bijbenen – ook al leven ze dan met twintigste-eeuwse sociale normen.

Keda moet een voorbeeld nemen aan die alfawolf als hij ooit een goede leider wil worden. Maar het slungelige joch kan het nog niet eens over zijn hart verkrijgen een wild zwijn te doden. Een stamhoofd met een zoon die niet jagen kan, hoe moet dat nu? In echte jagers-en-verzamelaars-groepen waren er natuurlijk ook mannen die minder hadden met jacht, en voor hen waren er genoeg andere taken. Maar de populaire mythe is dat alle succesvolle oermannen macho’s waren.

Het probleem is niet dat Alpha feitelijke onjuistheden toont over de vroege homo sapiens – het probleem is de clichématige, belegen wereld die de film daarmee schept. Terwijl al die holbewonerclichés niet eens nodig zijn voor de hoofdplot. Alpha is namelijk vooral het verhaal van de eerste vriendschap tussen een mens en een wolf. Een origin story voor de huishond! Na een half uurtje vervelende oertijdonzin kan dat verhaal beginnen.

Keda wordt na een jachtongeluk voor dood achtergelaten, en moet in zijn eentje zien te overleven. Hij verwondt een wolf die hem aanvalt, en zijn onvermogen een dier te doden blijkt van pas te komen. Hij verzorgt het beest, deelt er zijn eten mee, en noemt het Alpha. Nu is er weinig zo automatisch ontroerend als de relatie tussen een mens en een huisdier, en weinig dieren zo fotogeniek als de wolf. Wat dat betreft hoeft regisseur Albert Hughes niet heel veel moeite te doen om de juiste snaar te raken. Een paar mooie actie-setpieces waarin de samenwerking tussen Keda en Alpha centraal staat geven hun relatie gewicht (de beste is die waarin Keda op een meertje onder het ijs belandt, en ik zal niet zeuren dat hij het daar veel langer volhoudt dan mogelijk). Het is niet noodzakelijk Keda een interessante figuur te maken, en dat doet Hughes dan ook niet. Een jongen en een wolf en wat romantische beelden van de overweldigende natuur, meer heb je niet nodig. Dat de vele CGI lang niet altijd overtuigt is in dit geval niet zo erg, maar geeft de film juist een aangenaam kitscherige sfeer.

Alpha had beter kunnen zijn, door te kiezen voor een frissere blik op het verleden. Maar voor romantische fantasykitsch met mooie plaatjes en een lieve wolf krijg je mij wel naar de IMAX-zaal.

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken