Nu aan het lezen:

9 keer de Grote Oorlog in film

9 keer de Grote Oorlog in film

Afgelopen week verscheen They Shall Not Grow Old in de Nederlandse bioscopen, een documentaire waarin Peter Jackson archiefbeelden uit de Eerste Wereldoorlog een enorme digitale oppoetsbeurt geeft en kleur en geluid toevoegt aan de voorheen zwijgende, schokkerige zwart-witbeelden. Voor Elise van Dam en George Vermij aanleiding tien (fictie)films uit te lichten over die ons meenemen naar de loopgraven van de Grote Oorlog.


Uomini contro (Francesco Rosi, 1970)

Uomini contro begint met duisternis, een duisternis die slechts onderbroken wordt door felle flitsen van kogels die uit geweren exploderen en even de gezichten van de soldaten in de loopgraven belichten. De film toont het groeiend verzet onder soldaten tegen de zinloze aanvallen op de Oostenrijkers die hen uit de (relatieve) beschutting van de loopgraven dwingen en telkens eindigen in een afslachting. Maar de legertop kan dat verzet uiteraard niet gebruiken en is er veel aan gelegen het zo snel mogelijk de kop in te drukken. Aan wiens kant Francesco Rosi staat mag duidelijk zijn. Vrijwel niet aflatend klinken schoten en explosies op de achtergrond en met grote regelmaat treden ze op de voorgrond. In die gevechten kiest hij voor onconventionele camerastandpunten die het onmenselijke van de oorlog benadrukken. Zoals een shot van de loop van een geweer die uit een opening tussen zandzakken steekt, onafgebroken vurend. Maar soms laat Rosi het geluid ineens verstommen in een vlaag van klassieke muziek. De camera glijdt over het slagveld; de lichamen van dode soldaten, gesneuvelde paarden, de met mist vermengde kruitdampen die erboven hangen. En dan begint het allemaal weer opnieuw.
Elise van Dam

All Quiet on the Western Front (Lewis Milestone, 1930)

All Quiet on the Western Front  is de moeder der alle antioorlogsfilms en na al die jaren is de invloed nog steeds merkbaar. Gebaseerd op het gelijknamige boek van de Duitse schrijver Erich Maria Remarque, die werd gevoed door zijn ervaringen aan het westfront. Het verhaal begint patriottistisch als Duitse jongens worden klaargestoomd om ten strijde te trekken voor de keizer. We volgen Paul Bäumer (een indrukwekkende Lew Ayres) en zijn vrienden terwijl ze geconfronteerd worden met de ontberingen van de loopgraven. Er is een ervaren veteraan die ze onder zijn hoede neemt en natuurlijk ontdekken de groentjes dat woorden zoals heldhaftigheid en glorie alleen maar worden gebruikt om te verbloemen dat ze alleen kanonnenvoer zijn. De film heeft de tand des tijds nog goed doorstaan ook al zijn veel schokkende en ontroerende momenten inmiddels gemeengoed geworden in veel oorlogsfilms. In 1979 verscheen een redelijke remake voor de televisie met Richard Thomas, Ernest Borgnine en Ian Holm.
George Vermij

Les gardiennes (Xavier Beauvois, 2017)

Tegenover de luidheid van Uomini contro staat de verstilling van Les gardiennes. Deze film van Xavier Beauvois speelt zich dan ook niet af aan de frontlinies, maar op het platteland waar het ‘gewone’ leven doorgaat. Bijna onhoorbaar. Hier wordt nog steeds het land omgeploegd en de oogst binnengehaald. En hier kondigt de dood zich niet aan met tromslagen en geweerschoten, maar in een neergeslagen blik, het fluisterend uitspreken van een naam. Met de mannen aan het front, zijn het de vrouwen die de landarbeid op zich nemen. Les gardiennes richt zich op een familiebedrijf, waarvan de twee zonen in de oorlog vechten, en op de ingehuurde hulp Francine. De film is op zijn best wanneer simpelweg het dagelijks leven op de boerderij en de inspanningen om dat gaande te houden, centraal staat. De oorlog is vooral in echo’s aanwezig. In de opkomst van machinale landbouwwerktuigen, die de industrialisering van de oorlog spiegelt. Of in de tijdelijke terugkeer van de zonen, op verlof, als geestverschijningen. In het laatste deel van de film wordt de wankele harmonie alsnog ruw verstoord en zijn er een aantal dramatische ontwikkelingen die eigenlijk overbodig voelen. Want het werkelijke verhaal zit in die observerende scènes van de vrouwen die het land bewerken, voor even de teugels van de toekomst in handen nemen.
Elise van Dam

La Grande Illusion (Jean Renoir, 1937)

De Eerste Wereldoorlog was een definitieve breuk met de kwetsbare politieke zekerheden van daarvoor. In veel Europese landen geloofde men voor de grote oorlog het bastion te zijn van de westerse beschaving. Nieuwe uitvindingen zoals gifgas, vlammenwerpers en machinegeweren maakten korte metten met die oude waarden de archaïsche ridderlijkheid die nog kleefde aan oorlogvoeren. Dat contrast tussen verouderde denkbeelden en de kille en zinloze moderne tijd merk je nog het beste in Jean Renoirs La Grande Illusion. Enerzijds een ontsnappingsfilm die Franse soldaten volgt in verschillende Duitse krijgsgevangenkampen. Daar komt de adellijke Kapitein de Boeldieu (Pierre Fresnay) in contact met de Duitse aristocraat von Rauffenstein (Erich von Stroheim). De heren merken dat ze ondanks hun vijandschap veel met elkaar gemeen hebben. Ze belichamen allebei een nobele wereld waarin de adel regeert en dat doet vanuit een statige en verheven positie. Het duurt natuurlijk niet lang voordat de oorlog tussen beiden komt en laat zien dat ze in een illusie geloven die niet bestand is tegen de realiteit. Het knappe van Renoir is dat hij steeds zoekt naar de gemeenschappelijke menselijkheid tussen zijn personages ook al manifesteert die zich vaak door onze zwakkere en minder heroïsche kanten.
George Vermij


King and Country (Joseph Losey, 1964)

‘I just needed to get away from the cannons.’ Met deze woorden probeert soldaat Hamp (Tom Courtenay) zijn desertie uit Passendale te verklaren. Hoewel het in zijn beleving geen desertie was, althans niet bewust. Hij kon het gewoon niet meer aan; de loopgraven, de dood van zijn vrienden, en die kanonnen die nooit stoppen met schieten. Dus begon hij te lopen. Joseph Loseys King and Country, gebaseerd op een toneelstuk van John Wilson en een roman van James Lansdale Hodson, is een stellige aanklacht tegen de oorlog. Wanneer Hargreaves (Dirk Bogarde), een officier aangesteld om Hamp te verdedigen, hem voor het eerst ontmoet, is hij niet onder de indruk. Hamp is niet bepaald scherp of welbespraakt. Maar hij is ontwapenend eerlijk. Bogarde en Courtenay laten zien hoe een vorm van begrip groeit tussen de twee, al ontmoeten hun werelden elkaar nooit echt. Terwijl de regen buiten voortdurend valt, wordt Hamp voor een provisorische krijgsraad gebracht. Binnen die ene locatie experimenteert Losey met de manier waarop hij personages in het kader plaatst. Hargreaves smeekt het hof om rekening te houden met wat Hamp heeft gezien en meegemaakt in de modderige loopgraven. Maar voor het hof is dat verhaal niet belangrijk. Hamp is slechts een radertje in de machine en de machine moet blijven draaien.
Elise van Dam

Oh! What a Lovely War (Richard Attenborough, 1969)

Deze film van Richard Attenborough (Ghandi, A Bridge Too Far) is een vreemde mix van satirische musicalsegmenten en korte oorlogscènes. Gebaseerd op de gelijknamige musical die de spot drijft met alles wat maar naar oorlog ruikt. Het is vooral een surrealistische kijkervaring wat versterkt wordt door gedateerdheid van de film die maar tegelijk ook vreemder is geworden door het verstrijken van de jaren. Een soort The Sound of Music maar dan met prikkeldraad en mosterdgas. Zo zien we een jonge en wulpse Maggie Smith in een theater liedjes zingen om soldaten te rekruteren voor aan het front en speelt acteur John Mills haasje-over als hogere officier. Ondertussen gaat het aan het front gewoon door en sterven de soldaten bij bosjes. Oh! What a Lovely War kan aanvoelen als een uitgerekte wrange grap over de zinloosheid van oorlog, maar gelukkig heeft de film ook wel wat pakkende liedjes zoals het spottende Good-byee.
George Vermij


War Requiem (Derek Jarman, 1989)

War Requiem is een bijzondere samenkomst van een aantal grote kunstenaars. Het is Derek Jarmans verbeelding van en op het gelijknamige muziekstuk uit 1962 van Benjamin Britten die op zijn beurt gedichten verwerkte van de in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde poëet Wilfred Owen. In die verbeelding zien we de herinneringen van officier Owen, die niet worden gekenmerkt door veldslagen en loopgraven, maar persoonlijke ontmoetingen. Zoals vaker laat Jarman het gesproken woord zwijgen. In War Requiem is er alleen de muziek en het beeld en daarmee vormt hij een verzameling scènes die vaak kunststukjes op zich zijn. Zoals een bloedmooie, zes minuten durende scène van een rouwende en troost zoekende Tilda Swinton. Jarmans film is een requiem voor alle oorlogen die het Westen teisterden in de 20e eeuw. Niet alleen de twee wereldoorlogen, maar ook – zoals Swinton opmerkt in een documentaire over de film – de aidsuitbraak die in de jaren tachtig zoveel slachtoffers eiste. Waaronder Jarman. Net als hij waren zowel Britten en Owen homoseksueel en ervaarden daardoor oppressie. Het maakt War Requiem tot een film die weliswaar over oorlog gaat, maar vooral een schreeuw is om bevrijding.
Elise van Dam

Arsenaal (Oleksandr Dovzjenko, 1929)

Een film die zich afspeelt in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en net voor de bloedige Russische Burgeroorlog die door heel oost-Europa zou razen. Arsenaal richt zich op een veldslag die plaatsvond tussen Oekraïners en Bolsjewieken in 1918. Door de revolutie en het uiteenvallen van oude keizerrijken ontstond er een onvoorstelbare chaos die de basis zou vormen voor een hele reeks vergeten conflicten zoals die tussen Polen en de Sovjet-Unie en tussen Oekraïne en Polen. Dovzjenko’s film is een vreemde mix van communistische agitprop en bijzondere expressieve beelden die de gruwelijkheid van oorlog op treffende wijze verbeeld. In een van de bekendste scènes ervaart een soldaat de effecten van lachgas, terwijl in een snelle montage de hel van het slagveld voorbij flitst. Het is niet ver verwijderd van de nachtmerrieachtige tekeningen en schilderijen die de Duitse kunstenaar Otto Dix zou maken over zijn tijd aan het front.
George Vermij


Gallipoli (Peter Weir, 1981)

Lang voelt de oorlog in Gallipoli als een jongensboek. De film begint eigenlijk niet eens als een oorlogsfilm, maar een sportfilm. De 18-jarige, knappe plattelandsjongen Archie Hamilton (Mark Lee) is de hardloopkampioen van zijn regio. Tijdens een wedstrijd ontmoet hij de stadse Frank Dunne (Mel Gibson). Ze besluiten zich samen aan te sluiten bij het leger, waarbij hun voornaamste motivatie een hang naar avontuur lijkt te zijn, een gevoel dat Peter Weir vertaalt in de toon. De film toont de groeiende bromance tussen de twee jongemannen en de realiteit van de oorlog wordt steeds een stukje doorgeschoven, waardoor de illusie van avontuur in stand blijft. Zelfs wanneer ze aankomen op het strand van schiereiland Gallipoli, voelt de strijd die daar met de Turken wordt geleverd, aanvankelijk vooral als decor. Er wordt nog gezwommen in zee, gewed op wie het hardst kan rennen. Maar in het allerlaatste halfuur begint Weir de illusie af te breken. Begint de realiteit in te dalen met elke bominslag die de camera doet trillen en maakt het avontuur plaats voor verlammende angst. Het leidt tot een intens laatste deel waarin dat jongensboek met zo’n oorverdovende klap wordt dichtgeslagen dat het nog lang nadreunt.
Elise van Dam

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken