Nu aan het lezen:

9 bijzondere muziekdocumentaires

9 bijzondere muziekdocumentaires


Gr
ace Jones: Bloodlight and Bami
is een uniek portret van een artiest, waarin energieke optredens worden afgewisseld met intieme momenten. Naar aanleiding van die film gingen Julius Koetsier, Luuk van Huët en George Vermij op zoek naar andere bijzondere muziekdocumentaires die je gezien moet hebben.

Dig! (Ondi Timoner)

Dit inkijkje in de competitieve wereld van de Amerikaanse alternatieve rockscene is een essentiële documentaire over de werking van pop. Regisseuse Ondi Timoner volgde de bands The Brian Jonestown Massacre en The Dandy Warhols toen ze op het moment stonden om door te breken. Zijn ze eerst nog bevriend, dan verandert dat snel als The Dandy Warhols tekenen bij een groot platenlabel en in de wilde achtbaanrit van de roem terechtkomen. De rivaliteit tussen de bands wordt grimmiger. Een strijd tussen de charismatische, maar egocentrische Anton Newcombe van The Brian Jonestown Massacre en de koele Courtney Taylor-Taylor van The Dandy Warhols. Newcombe komt daarbij over als een creatieve duizendpoot. Hij leeft voor zijn muziek, al gaat dat ten koste van de relaties met zijn bandleden. Het succes van The Brian Jonestown Massacre blijft echter beperkt tot een kleine kring bewonderaars. De Dandy’s zijn gewiekster. Ze weten zich beter aan te passen aan de wetten die een groot succes voorschrijven. Hun sound wordt gaandeweg gepolijster en zij schikken zich aan de wensen van hun label. Dig! toont die harde werkelijkheid van moderne rock-‘n-roll, waar de ego’s botsen ondanks de passie voor muziek. (George Vermij)

Anvil! The Story of Anvil (Sacha Gervasi)

Toen heavy metal in de jaren 80 enorme populariteit genoot, leek het even alsof Anvil een grote naam zou blijven. Maar hun succes was van korte duur. Terwijl het toch niet de minsten zijn, die als talking heads hun waardering over hun collega’s uitspreken: Lemmy van Motörhead, Slash van Guns N’ Roses, Lars Ulrich van Metallica; allemaal vragen ze zich af hoe het kan dat het nooit echt meer wat geworden is met die jongens die vroeger podia met hen deelden. In deze documentaire uit 2008 zien we dat Anvil nog steeds aan de weg timmert. Het is even ontroerend als bewonderenswaardig: die langharige vijftigers die nog altijd de hoop niet opgeven, nooit hun ziel hebben willen verkopen voor gemakkelijk succes, maar gewoon feestjes blijven bouwen in kleine rockcafétjes. Hun voortdurende pogingen groter te gaan touren leiden tot hilarische taferelen. Veel dichter bij This is Spinal Tap! komt de realiteit niet. Maar regisseur en Anvil-fan Sacha Gervasi neemt zijn idolen niet in de maling: veel meer dan een uitlachfilm is Anvil! een hoopvolle en eerlijke docu over de kracht van heavy metal. (Julius Koetsier)

200 Motels (Tony Palmer en Frank Zappa)

200 Motels is niet voor iedereen. Zelfs veel fans van Frank Zappa raken gefrustreerd door zijn surrealistische cultfilm, die het midden houdt tussen muziekdocu, absurdistische komedie en videokunst. In elk geval is ie op cinematografisch gebied historisch relevant: het is de eerste film die helemaal op video werd geschoten. We zien dan ook veel visuele effecten die in 1971 heel innovatief waren, maar tegenwoordig veelal overkomen als geklooi met nieuw speelgoed. Minder gedateerd is de muziek zelf. Goed, 200 Motels bevat een paar stukken die de weerstand tegen Zappa begrijpelijk maken (met name zijn orkestrale werken, hier uitgevoerd door het London Philharmonic Orchestra), maar ook een aantal van zijn meest toegankelijke rocknummers als Magic Fingers en Daddy, Daddy, Daddy. Het scenario van Zappa zit vol zelfspot – de bandleden klagen over de rare muziek die ze moeten spelen van hun autoritaire bandleider, in sketches die de spot drijven met de conventies van de rockumentary  – en stream-of-conciousness-achtige humor. De beste grap is eigenlijk de aanwezigheid van Ringo Starr, die de film als Zappa-lookalike aan elkaar praat. (JK)

The Filth and the Fury (Julien Temple)

Regisseur Julien Temple ontdekte tijdens zijn studie aan Cambridge het werk van de Franse anarchistische filmmaker Jean Vigo, en zo ontwaakte zijn liefde voor film. Toen hij in 1976 de Sex Pistols leerde kennen in de Londense punkscene, werd hij hun vaste cameraman die hun eerste optredens vast mocht leggen. Zijn eerste film was de korte documentaire Sex Pistols Number 1 en in 1980 volgde The Great Rock ‘n’ Roll Swindle, een mockumentary over de band gezien vanuit het perspectief van hun infameuze manager Malcolm McLaren. Frontman Johnny Rotten, inmiddels al ontslagen door McLaren, wou niet meewerken aan de film en omschreef hem als ‘Malcolms visie waar hij in geloofde, en niet waar in wat voor vorm dan ook.’ In 2000 kwamen de bandleden eindelijk zelf aan het woord in The Filth and the Fury, waarin zij hun kant van het verhaal mochten vertellen. Rotten, die na zijn ontslag ook zijn artiestennaam opgaf en daarna door het leven ging als John Lydon, vertelt smakelijk over de opening van Anarchy in the UK, waarbij ‘Antichrist‘ werd gevolgd door ‘Anarchiste‘, wat blijkbaar leidde tot enige verwarring bij de overige bandleden, ‘omdat dat toch niet rijmt?’ Zo zie je maar dat ook in Punk de DIY-esthetiek niet meteen door iedereen werd gesnapt. De documentaire geeft een goed beeld van de explosieve energie en het is fascinerend om het ontstaan van punk mee te maken. Later in de documentaire maakt de jolige energie plaats voor een meer introspectieve toon wanneer het tragische lot van Sid Vicious ter sprake komt: een voorafspiegeling van het einde van punk als levensvatbare muziekstroming. (Luuk van Huët)

Cobain: Montage of Heck (Brett Morgen)

De mythevorming rond het leven en de dood van Kurt Cobain heeft al een groot aantal filmmakers bezig gehouden. Zo is daar Nick Broomfield, die in Kurt & Courtney gebaseerd op povere aanknopingspunten en weinig geloofwaardige getuigen een conspiracy theory in elkaar flanst met Courtney als kwaad genie, en Gus van Sant die in Last Days een gefictionaliseerd portret schoot van de laatste dagen van Cobain. In Cobain: Montage of Heck gooit regisseur Brett Morgen zijn hoed in de ring met een documentaire waarin Cobains leven wordt beschreven, van zijn ongelukkige jeugd in Aberdeen, de spectaculaire opkomst en ondergang van Nirvana en grunge-muziek, tot aan zijn dood en de nasleep ervan. De documentaire bestaat niet alleen uit het gebruikelijke archiefmateriaal en interviews met vrienden, familie en betrokkenen, daarnaast worden enkele episodes uit Cobains leven in beeld gebracht door middel van beeldschone animatie. De Nederlandse animator Hisko Hulsing mocht zijn unieke stijl op deze flashbacks toepassen: zijn animatie is gebaseerd op zijn schilderwerk en ziet er daardoor uit alsof olieverfschilderijen tot leven zijn gekomen. Dat een aantal verhalen en anekdotes die Morgen opvoert inmiddels door intimi van Cobain zijn afgedaan als leugens of reinste onzin was te voorspellen, aangezien Cobain bekend stond om zijn voorliefde voor het ophangen van sterke verhalen en het om de tuin leiden van de media. Een definitieve documentaire over Kurt Cobain lijkt dan ook schier onmogelijk. Cobain: Montage of Heck komt echter een heel eind in de goede richting. (LvH)

Nico, Icon (Susanne Ofteringer)

Zangeres, model en actrice Nico blijft fascineren. Dit jaar kwam al de ongewone biopic Nico, 1988 uit. De documentaire Nico, Icon is een mooie companion piece voor die film. Susanne Ofteringer maakte een mooi en eerlijk portret van een moeilijke en duistere vrouw die zich ondanks haar onwerkelijke schoonheid van binnen lelijk voelde. Ze raakte al snel verslaafd aan zware drugs. Als je de interviews in de docu moet geloven hielp ze ook haar zoon Ari aan de heroïne. Die zoon, het onwettige kind van Alain Delon, is ook aan het woord over zijn excentrieke en destructieve moeder. Schrijnender zijn de gesprekken met Delons moeder die zich over Ari ontfermde. Delon verbrak daardoor het contact. Natuurlijk is er ook ruimte voor muziek, en de film bewijst dat Nico een zangeres was die een uniek geluid nastreefde, zoals op haar prachtige, ijzige soloplaat The Marble Index. (GV)

Live Forever: The Rise and Fall of Britpop (John Dower)

Deze documentaire van John Dower schetst een beeld van Britpop waarin vooral duidelijk wordt hoe navelstaarderig het wereldje was: de opgeklopte rivaliteit tussen Oasis en Blur krijgt meer aandacht dan die verdient, de hijgerige houding naar New Labour en Tony Blair is pijnlijk om te zien en de film zwelgt in Britpop-nostalgie. Ondertussen worden de successen van bands die tot Britpop gerekend worden enorm uitvergroot, terwijl interessante bands die internationaal veel meer succes hadden of wiens muziek de tand des tijds beter heeft doorstaan, zoals Massive Attack en Radiohead, tussen neus en lippen door genoemd worden. Maar als je dit accepteert blijft er genoeg om muziekliefhebbers te boeien: Liam Gallagher van Oasis komt weliswaar over als iemand met het IQ van een gefrituurde Marsreep, maar er valt wel om zijn lompe uitspraken te lachen, terwijl Pulp-voorman Jarvis Cocker op laconieke wijze zijn ervaringen met drugsgebruik omzeilt en Damon Albarn van Blur een obsessieve relatie met zijn ukulele blijkt te hebben. De documentaire is uiteindelijk niets meer dan een vermakelijke blik op Britpop, waarbij vooral opvalt dat het een vrij oppervlakkige trend was die weinig blijvende impact heeft gehad op de muziekwereld en door de gevestigde orde al snel werd ingekapseld. Voor een diepgaande analyse ben je bij Live Forever: The Rise and Fall of Britpop echter bij het verkeerde adres. Gelukkig hebben we de liedjes nog. (LvH)

The Nomi Song (Andrew Horn)

Klaus Nomi wordt door iemand in deze documentaire ‘A freak among the freaks’ genoemd. Toen deze Duitser opeens neerstreek in New York eind jaren 70 was er van alles aan de gang. Punk zorgde voor een creatieve energie die aanstekelijk werkte. Nomi was daarbij een uniek figuur, met zijn onwerkelijke look en zijn ongelofelijke stem. Andrew Horns mooie portret van de aan AIDS overleden zanger begint met scènes van sciencefictionfilms uit de jaren vijftig over buitenaardse wezens. Het is een mooie vergelijking met de onwerkelijke impact die Klaus Nomi op mensen in New York had. Met zijn bovenmenselijk hoge stembereik probeerde hij Maria Callas te imiteren. Al gauw experimenteerde hij met zijn geluid en look, wat resulteerde in een bijzondere mix van cabaret, opera, pop en sci-fi-symboliek. David Bowie was onder de indruk en liet hem meezingen tijdens een optreden. Nomi probeerde daarna zelf door te breken, wat helaas te snel werd onderbroken door zijn ongeneeslijke ziekte. The Nomi Song geeft een mooi portret van een geliefd man die zijn gave wilde delen en in een kort moment een onuitwisbare indruk achterliet. (GV)

The Punk Singer (Sini Anderson)

Kathleen Hanna was met haar band Bikini Kill het boegbeeld van de Riot Grrrl-beweging. Feminisme en punk werden door haar tot een krachtig geheel gesmeed. Daarmee werd ze een heldin, maar ook een doelwit. The Punk Singer traceert Hanna’s carrière, die ook raakvlakken heeft met perfomancekunst en politiek activisme. De documentaire bevat ook wat unieke concertregistraties waarin een energieke Hanna het publiek uitdaagt. Haar gedrevenheid kwam wel met een prijs. De tweede helft richt zich op hoe Hanna met een slopende ziekte moet leven terwijl ze ook creatief wil blijven. Een belangrijke documentaire over een revolutionaire band en een onvermoeibare artiest die nog steeds relevant is. (GV)

Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken